1.2. Toen

De eerste reis die ik ooit ondernam, was de reis van mijn geboortedorp naar dit gehucht. Het was minder dan een halve dag lopen had men mij gezegd. En de weg ging de hele tijd omhoog. Een paar uur klimmen was een peulenschil voor de knaap die ik was, maar ik was nog nooit verder dan de rand van het dorp geweest. Ik had een keer de rivier gevolgd tot ver buiten het dorp, maar ik had nog nooit een ander dorp gezien, ik was nog nooit in het nabije stadje geweest en ik was zeker nog nooit naar een van de kammen van de omliggende bergen geklommen.

Ik deed de tocht niet alleen. Ik was in het gezelschap van drie ooien. Die had ik gekregen van Julien, de boer bij wie ik tot dan in dienst was geweest. Volgens hem waren de ooien drachtig en met hen zou ik op de berg een kudde kunnen stichten. Het was Julien die me overtuigd had om die tocht te maken en hier op de berg een nieuw leven te beginnen. Ik had niets verkeerds gedaan. Integendeel, ik was mijn baas van jongs af aan trouw geweest. Als kleine jongen ging ik al met mijn vader en mijn broers mee naar de boomgaarden van Julien om te helpen met de fruitpluk. Ze stuurden mij onder de bomen om de laaghangende abrikozen, perziken en appels te plukken. Later mocht ik op de ladders klimmen. In de winter en in het voorjaar hielp ik op het erf. Er waren altijd wel reparaties of verbouwingen aan de schuren of de stallen te doen. Er was niets dat ik te moeilijk of te lastig vond, alles wat de baas vroeg, deed ik.

Maar het liefst van al was ik bij de schapen. In de loop van het jaar mocht ik soms mee gaan hoeden. De oude herder, die net als wij al zijn hele leven in dienst van de familie van Julien was, leidde de kudde langs de rivier op zoek naar weiden waar het gras mals was. We bleven soms een hele dag weg. Rond het einde van de maand april, als de eerste ooien wijdbeens begonnen te lopen en hun uiers bijna op barsten stonden, werd voor mij een veldbed in de stal gezet en bleef ik bij de schapen tot alle lammeren geboren waren. Tegen die tijd waren de abrikozen rijp en begon de pluktijd die de hele zomer duurde. Tijdens de druivenoogsttijd, eind september, merkten we hoe de dagen snel korter en de nachten frisser werden. En dan kwam de lange winter aangeschoven, waarin we het vooral warm kregen van het houthakken en het stapelen.

20170602_124326

 

Een gedachte over “1.2. Toen”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s