1.4. Geboorte

Het krijsen, overduidelijk van een pasgeborene, kwam uit een raam op de eerste verdieping van een huis in de hoofdstraat. Julien bleef staan en wees naar het huis.

‘Die mensen’, zei hij, ‘het is hun eerste. Ze zijn nog jong. Ze komen van ergens anders. Het is haar aan te zien, een fijne vrouw, een goede naaister naar het schijnt. Haar man is werk komen vragen. Ik zal hem aanwerven als het pluktijd is.’

Het stoorde mij dat hij van onderwerp veranderde. De mensen in het dorp en vooral zij die in de hoofdstraat woonden interesseerden me niet. Hun huizen waren groot, ze telden soms drie of vier verdiepingen. De gevels en de voordeuren waren beschilderd of versierd met houtsnijwerk. Wat zich daarachter afspeelde, waren mijn zaken niet.

Ik wilde Julien aanporren om verder te vertellen, toen we een paar huizen verder opnieuw een kind hoorden huilen. Hetzelfde klagende, wanhopige geluid van een pasgeborene. Waarom huilen kinderen als ze geboren worden? Lammeren klagen niet als ze op het stro vallen, dacht ik geërgerd. Maar Julien begon te lachen.

‘Dat is sterk!’ zei hij. ‘Twee kinderen op een dag! Wat zeg ik? Bijna op hetzelfde moment!’

Het krijsen hield langer aan dan bij het vorige kind in het andere huis. Daar was het intussen stil. Dit geluid kwam uit het huis op de hoek, door een kier van een deur in de zijstraat. Het was de bakkerij. Nu zag ik pas dat de grote voordeur van de winkel gesloten was en dat er een gordijn voor het uitstalraam hing. Meestal, als ik er langs kwam, liep ik langs de overkant van de straat. Ik meed de geur van de verse stokbroden en de aanblik van de met honing of suiker geglazuurde koeken en taarten.

‘De Spaanse bakker!’ riep Julien uit. ‘Ik ben er gisteren geweest. Zijn vrouw stond nog te kneden. Haar buik stak zo ver vooruit dat ze nog amper zag wat haar handen deden. Goed brood hebben ze daar, en wat kan die man scheren!’

Ik voelde aan mijn kin, er zaten al wat dunne haren op, maar ik had me nog nooit laten scheren. Ik kende de bakker-barbier wel. Hij kwam soms op het erf om eieren of fruit te kopen. Hij zag er wat stug uit, met die diepe groeven in zijn kaken en die zware snor. Soms bracht hij zijn jongens mee. Ze waren een jaar of tien. Ik hoopte dat het kind dat net geboren was een meisje zou zijn. Haar broers zouden een zusje wel met rust laten.

Mijn broers. Julien had gelijk. Ik kon beter weggaan, het zou er niet beter op worden nu ze geen werk meer hadden. Ik vroeg aan Julien hoe het zat met die ooien.

‘Kom zaterdag, vroeg in de ochtend,’ zei hij.

‘Ik heb geen geld,’ zei ik toen.

‘Betaal me later maar,’ zei hij. Hij begon te tellen op zijn vingers en rekende uit hoe snel mijn kudde zou groeien en wanneer ik hem met gemak zou kunnen terugbetalen. Ik kon zijn berekening niet volgen, maar ik begreep dat hij geloofde dat ik na vier jaar een paar tientallen schapen zou hebben.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s