1.5. Doopstoet

Het was op een zaterdag. Mijn vrouw weet zelfs het jaar, de maand en de dag. Haar moeder hield toen al een schrift bij waarin ze alle belangrijke gebeurtenissen noteerde. In de familie van mijn vrouw kan iedereen schrijven. Ze sturen brieven naar elkaar en naar verre familieleden.

We weten nu dat het 14 april 1838 was. Soms vertel ik haar het verhaal nog eens van mijn vertrek uit het dorp. Dan vult zij het aan met wat zij nog weet en wat ik niet wist en zo wordt mijn verhaal ook haar verhaal en omgekeerd. Samen proberen we de gebeurtenissen in de juiste volgorde te zetten, soms geholpen door een jaartal dat zij net als haar moeder in een schrift heeft geschreven.

Er zijn dingen die ik haar niet vertel. En zij verzwijgt wellicht ook iets voor mij. Het heeft geen belang meer.

Mijn vrouw denkt dat ik ongeveer even oud ben als haar moeder.
‘Het was 14 april 1838, want het was de dag waarop ik gedoopt werd. Je moet een jaar of twintig geweest zijn,’ zegt ze.
Dan zou ik nu drieënzeventig zijn. Maar dat is slechts een getal. Ik weet wat ik voel.

Die dag trok ik met drie ooien naar de berg. Onderweg zag ik de doopstoet, een groepje mensen dat naar de priorij op de helling trok om de twee kinderen, die een paar dagen ervoor in de dorpsstraat geboren waren, te laten dopen door de prior. Het was nog maar het eerste stuk van de weg die ik af te leggen had. Julien had me gezegd dat ik tot aan de priorij moest lopen en achter de olijfboomgaard van het klooster de smalle weg naar de kam moest nemen.

Ik had mijn schapen aan een touw en ik probeerde de stoet in te halen. Het was waarschijnlijk een koddig gezicht, een jongen met een blauw oog en een gezwollen neus, die drie schapen met zich meetrok, want een paar mensen keken lachend opzij. Ik herkende de Spaanse bakker en zijn mollige vrouw die een bundeltje in haar armen hield. Hun zoontjes liepen naast hen. Achter hen liep een jong paar. De vrouw droeg een jurk met drie of vier stroken aan de rok, waardoor ze opviel tussen de andere vrouwen, die eenvoudige zwarte of donkerblauwe rokken droegen. Ze droeg ook geen wit met kant afgezet mutsje zoals de anderen. Haar lichtbruine haar was kunstig opgestoken met spelden en benen kammen. Ze hield haar kind tegen haar borst geklemd. Ze ademde zwaar en er stonden dikke zweetdruppels op haar bovenlip.

Aan de jongens van de bakker vroeg ik of het kind een meisje of een jongen was. Een van de mannen antwoordde in hun plaats.

‘Een meisje’, zei hij, ‘twee meisjes! Op dezelfde dag, bijna op hetzelfde moment geboren!’

Iedereen lachte en ik knikte. Ik zei niet dat ik dat laatste wist, want dat ik er vlakbij had gestaan toen ze geboren werden. Ik was blij dat het kind van de bakker een meisje was, ik vertrouwde die broertjes voor geen cent.

Ik versnelde mijn pas en liet de stoet achter mij. Bij de priorij hield ik halt. De kerkdeur stond open. Binnen was het donker, alleen ergens vooraan flonkerde een lichtje. Even overwoog ik om naar binnen te gaan – een kruis slaan zou geen kwaad kunnen – maar ik durfde de schapen niet los te laten. Ik sloeg dan maar een kruis op de drempel. Binnen rook het naar boenwas en wierook. Die geuren kende ik van lang geleden, toen mijn vader me meenam naar de mis, op de zondagen waarop hij nog de moeite deed om vroeg op te staan en zich deftig aan te kleden. Later ben ik een paar keer alleen geweest. Maar ik vond de diensten te lang duren en ik begreep er niets van.

DSCN5571

Een gedachte over “1.5. Doopstoet”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s