1.6. Onderweg

Ik vond het pad achter de olijfboomgaard. Het ging steil omhoog en het was te smal om de schapen achter mij aan te trekken. Ik maakte ze los en joeg ze voor mij uit. Ik raapte een tak op en tikte hen aan om ze voort te drijven. Het ging moeizaam, ze kenden de weg niet. Aan twee van de drie kon ik goed zien dat ze drachtig waren. Hun buiken staken al zijwaarts uit. Het derde dier leek me twijfelachtig. Het was ook magerder op de rug.

Na een tijdje werd de weg breder en minder steil en kwamen we bij een grote bocht. Ik had zin in een slok water en in het brood dat Berthe, de vrouw van Julien, mij had meegegeven. Ze had ook een stuk harde kaas en een paar repen gedroogd vlees in de jutezak gestopt, maar ik had me voorgenomen om daar niet meteen van te nemen. Ik had geen idee hoe ik de komende dagen aan eten zou komen en het leek me verstandig om mijn voorraad wat te sparen. Ik nam een kleine slok uit de leren waterzak die ik thuis van een haak aan de muur had genomen, hield het water wat in mijn mond en slikte het door. De schapen knabbelden aan het droge gras langs de kant van de weg. Ik liet ze grazen en ik ging aan de rand van de bocht staan om naar het landschap te kijken. Het duurde een paar tellen voordat ik besefte hoe hoog ik al was en dat de groep kleine huisjes onder mij het dorp was waar ik vandaan kwam. Ik zag de kerk en het gemeentehuis en een stuk van de dorpsstraat. Achter het dorp zag ik de boerderij van Julien liggen. Ik kon er zelfs wat beweging zien, een knecht die een paard wegleidde en een span dat van het erf wegreed.

Daar stond ik op die hoogte en ginds op het erf gebeurde nu alles zonder mij. En zonder mijn broers. Drie man minder. Ze zouden dat zeker voelen. Vooral over een paar maanden als de fruitpluk begon. Julien had al een nieuwe werknemer op het oog, de man van de naaister, de vrouw met de strokenjurk. Ik had de man niet zo goed bekeken. Hij kwam me niet erg sterk voor. Zou hij wel geschikt zijn voor dit soort werk? Kon ik niet beter teruggaan, vroeg ik me af. Ze zouden mij daar missen, ik die intussen van alles wel wat afwist en voor geen enkele klus mijn neus ophaalde. Maar dat er beweging was op het erf betekende dat het leven er gewoon doorging, ook zonder mij. Ik nam nog een slok, duwde de kurk in het mondstuk van de waterzak en draaide me om. De schapen keken me kauwend aan. Ik porde hen de weg op.

Onderweg raapte ik een steen op. Er lagen overal stenen, maar die ene grijsblauwe steen, paste precies in mijn hand en nam ik mee. Hij zit in nu de gevel, naast de deur. Soms klop ik erop, controleer ik of hij nog goed vast zit.

‘Zolang die steen er zit, zal het huis recht blijven staan,’ zeg ik dan tegen mijn vrouw, ‘zolang die steen daar zit, kan je niets gebeuren.’

DSCN3490

2 gedachten over “1.6. Onderweg”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s