1.7. Over de kam

Bovenop de kam stond een strakke wind, hij blies mijn hemd bijna van mijn lijf. Ik wilde er niet te lang blijven, maar het landschap trok mijn aandacht en ik klom op een rots om het nog beter te zien. Het donkergroene gebergte leek zich naar het zuiden toe eindeloos uit te strekken. Aan de noordkant, waar die koude wind vandaan kwam, was een vlakte die ver weg eindigde in een glinsterende rand. De wolken schoven over het land en maakten grote donkere vlekken op de groene bodem. In de dalen en op de hellingen zag ik kleine groepjes huizen liggen, dorpen waarvan ik had gehoord, maar waar ik nooit was geweest. En nu zag ik ze allemaal bij elkaar, daar in de diepte, en het drong tot me door hoe hoog de kam wel was. Ik hield mijn handen gekruist voor mijn borst en ik voelde mijn hart kloppen. De zon kwam even door de wolken, te kort om mij te warmen, maar lang genoeg om de glinsterende lijn in de verte op te lichten. Op dat moment begreep ik wat ik zag: de zee! Dat moest het zijn. Ik had erover gehoord, over het oneindige water, over vissers en boten. En dat het er gevaarlijk was, je kon er verdrinken.

De kou dwong me om van de rots te springen en verder te gaan. Ik was over de kam, het pad daalde nu even steil als de klim op de heenweg, ik moest de schapen voor me uitduwen. De stenen op dit smalle pad waren scherp, ik dacht aan de klompen in de jutezak die ik over mijn schouder droeg, maar ik had nog geen zin om ze aan te doen. Het duurde niet lang voor ik de eerste huizen zag. Het was de geur van houtvuur die mijn aandacht had getrokken. Ik zag twee bouwsels, het leken hutten, waaruit een dikke rookpluim opsteeg, en een man die op een schop leunde en toekeek. Toen begreep ik dat dit de meilers, de brandheuvels, waren waarover Julien had verteld. Hij meende dat er meerdere houtskoolbranders aan het werk waren op de berg en dat ik er tijdelijk werk zou kunnen vinden. Het stelde me gerust dat ik het nu in werkelijkheid zag en dat ik dus op de juiste plek aangekomen was. Ik telde de huizen die ik vanaf mijn plek op de helling kon zien. Er waren er maar drie met ramen en deuren, en een dak erop. De andere huizen waren ingestort.

De man met de schop liep nu rond de grootste meiler. Hij leek in de wand van het bouwsel te poken. De rook verminderde en de man keek omhoog, in mijn richting. Ik dook ineen. Ik wilde nog niet gezien worden. Ik bleef gehurkt tussen de struiken zitten en speurde de omgeving af. Het eerste wat me bruikbaar leek, was een stenen schuilhut niet ver vanwaar ik zat. Toen zag ik meerdere schuilhutten op de helling. Als ik niet meteen een bewoonbaar huis vond, kon ik misschien de eerste tijd in zo’n herdershut slapen. Ik bond mijn schapen weer aan elkaar vast en trok ze mee naar de dichtstbijzijnde hut. Die was groot genoeg voor ons vieren en ik kon er net rechtop staan. Ik duwde de schapen naar buiten en liet ze aan de achterkant van het huisje grazen. Met een bundel takken veegde ik de bladeren en het stof naar buiten. Ik vond een stijf stuk deken dat ik tegen de achtermuur sloeg tot het wat soepeler werd. Daarmee zou ik het moeten doen.

De dag was al een eind gevorderd, ik was op mijn bestemming aangekomen en ik kreeg honger. Ik at wat van het brood en de kaas, kauwde zo langzaam mogelijk op een stukje gedroogd vlees en gaf intussen mijn ogen de kost. De man bij de brandheuvel was verdwenen. De huizen die een dak hadden, leken bewoond, maar ik zag geen beweging. Ergens balkte een ezel, een nachtegaal zette zijn lied in.

Ik nam een slok water en vroeg me af waar ik de volgende dag water zou kunnen vinden. Berthe had me gezegd dat er een rivier was. Zij was hier nog niet zo lang geleden met Julien geweest.

‘Zoek de rivier en ga je wassen!’ had ze gezegd.

Ik nam haar niet kwalijk dat ze me op die manier liet weten dat ik vuil was en misschien wel stonk, ze bedoelde het goed. Ze had me eten meegegeven en ze had erop gestaan dat ik, voordat ik vertrok, een kom melk zou opdrinken.

‘Het beste, jongen, en kom ons opzoeken als je je plek daar gevonden hebt.’ Ze snoot haar neus toen ik van het erf vertrok.

20190207_114805

 

3 gedachten over “1.7. Over de kam”

    1. Het is iets om over na te denken, een andere manier van publiceren. Het is nog te vroeg om conclusies te trekken, maar ik denk dat veel lezers van ‘prentjes’ houden. Kijk maar naar de opkomst van de graphic novel.

      Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s