1.8. Melkmeisjes

Door aan Berthe te denken voelde ik me week worden. Ik miste haar vriendelijke gezicht. Julien had geluk met zo’n vrouw. Julien leek met alles geluk te hebben. Maar ik benijdde hem niet, ik vond juist dat ik geluk had dat ik Julien kende. Ik had drie schapen, ze waren nog niet betaald, maar ze waren van mij. Over een paar jaar zou ik honderd schapen hebben, een eigen huis en misschien wel een vrouw. Een echtgenote vinden leek me het moeilijkste. De meisjes in het dorp keerden mij de rug toe en in dit handvol huizen leek het mij weinig waarschijnlijk dat er ongehuwde vrouwen woonden. Het kon goed zijn dat hier alleen maar mannen -houthakkers en kolenbranders- waren. Maar ik kon wachten, er was nog veel te doen, een huis zoeken en heropbouwen, de kudde laten groeien, en in de eerste plaats: voedsel voor de komende dagen vinden.

’s Nachts kwam de gedachte aan een vrouw terug. Ik hoorde Berthe weer. Ze had het over de kinderen van de dorpsstraat.

‘Als dat maar in leven blijft,’ zei ze. Ze had het over het kind van de naaister.

‘Dat meisje is nog jong en ze ziet zo bleek. Een eerste kind, dat kan soms misgaan.’

Berthe wist waarover ze praatte, ze had twee van haar vijf kinderen verloren.

Een vrouw en kinderen. Het was iets waar ik nooit eerder aan gedacht had. Ik was te veel in beslag genomen geweest door het werk en het leven op de boerderij, en thuis had ik het te druk gehad met het zorgen voor eten en me te weren tegen mijn broers. Voor het eerst stelde ik mij mezelf voor als een man met een gezin. Ik moest erom lachen. Hoe zou zoiets kunnen? Het was zeker niet iets voor morgen.

Mijn gedachten dwaalden naar die meisjes. Twee meisjes. Zelfs als er eentje zou sterven, was er nog altijd een meisje over dat zou opgroeien tot een vrouw. En als ze allebei zouden blijven leven, zou ik zelfs kunnen kiezen.

Die gedachte wond mij op. Het was plezierig om eraan te denken en tegelijk ongepast, maar juist omdat het aanvoelde als iets dat niet mocht, groeide mijn opwinding.

Ik keek naar de schapen. Er waren herders die er geen geheim van maakten dat ze zich af een toe een pleziertje gunden met een schaap.  De drie ooien lagen naast mij te malen op het gras dat ik voor ze getrokken had. Ik keerde me van hen af. Mijn broer, Pierre, zou zoiets durven doen. Juist daarom wilde ik dat niet. Ik haalde me een van drie melkmeisjes van het erf voor de geest. Het ging vanzelf.

Dat van het melkmeisje vertel ik niet aan mijn vrouw. En de melkmeisjes hebben ook nooit geweten dat ze me al die jaren hebben vergezeld. Dat ze me warm hebben gehouden en me hielpen inslapen.

DSCN4256

Een gedachte over “1.8. Melkmeisjes”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s