1.9. Water

Uiteindelijk sliep ik maar twee nachten in de hut. Op mijn eerste volledige dag op de berg vond ik de rivier. Ik waste me, waste mijn kleren en het stuk deken dat ik in de hut gevonden had. Er was een plaats in de rivier waar ik op mijn rug kon liggen, net onder het wateroppervlak. De zon verwarmde mijn buik en mijn benen. Het water spoelde en kamde mijn haar. Het was te lang en het klitte. Ik had het eigenlijk moeten laten knippen, maar mijn broers en mijn vader waren daar de laatste tijd niet voor in de stemming geweest. En om naar de bakker-barbier te gaan had ik geen geld, dacht ik. Ik wist niet hoeveel het kostte. Ik durfde dat trouwens niet. Nadat ik mijn haar gespoeld en ontward had, bond ik het samen met een touwtje en ik bleef in de zon zitten tot alles droog was. Ik voelde aan mijn gezicht, mijn neus deed nog pijn, maar hij leek al minder gezwollen. De schapen hadden het naar hun zin, ze aten klaver en witte munt. En ook daslook, iets dat de herder mij had leren eten, zowel de bladeren als de bloemen. Hij zei dat het goed was voor het hart en dat ik er sterk van zou worden. Het gaf me in ieder geval vertrouwen, er was misschien meer eetbaars te vinden.

Op de terugweg kwam ik een man tegen. Hij duwde een kruiwagen waarop twee lege emmers stonden. Hij knikte naar mij, maar zei verder geen woord. Met kloppend hart ging ik naar mijn schuilplaats. Ik was gezien, ik kon nu maar beter een plaats zoeken waar ik zou kunnen blijven.

Die avond tuurde ik de omgeving af tot het donker werd. De volgende ochtend trok ik met de schapen naar de resten van een huis dat ooit tegen de helling was aangebouwd. Ik liep eromheen, verlegde de stenen van een ingestorte muur en vond er wat scherven en een verroeste pan. Veel was het niet. Maar de ligging van het huis beviel me. Net als de hut was het een plek die uitzicht bood op de omringende hellingen en op de andere huizen. Ik zag de twee mannen aankomen die mij blijkbaar opgemerkt hadden. Ze vroegen wat ik kwam doen.

‘Schapen kweken,’ zei ik. Ik wees naar de ooien. Ze knikten.

‘Opletten voor de wolven,’ zei de oudste van de twee. Ze liepen net als ik rond het huis en inspecteerden de afgebrokkelde muren. Toen begonnen ze stenen te rapen en ze legden een lage muur rond het onderste gedeelte van de ruïne.

‘Morgen komen we terug,’ zei de oudste toen het begon te schemeren, ‘Het zal de eerstkomende dagen niet regenen, maar voor alle zekerheid kunnen we beter zou gauw mogelijk een dak maken.’

_MG_0142

Foto: Jan Van den Hove

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s