1.10. Vuur

De mannen die me de eerste dagen hielpen waren gedreven en zwijgzaam. Ze kwamen naar me toe, brachten een paar planken mee en togen aan het werk. De muren waarvan ze de eerste dag al een basis hadden gelegd, trokken ze op en ze timmerden een plat dak dat later de vloer van het bovenste gedeelte moest worden.

Ze hadden zich niet voorgesteld. De ene man herkende ik als de houtskoolbrander die ik als eerste opgemerkt had. De andere man leek veel jonger, ik schatte hem niet veel ouder dan ik was. Hij was de man die ik tegengekomen was op de terugweg van de rivier.

Ik durfde geen vragen te stellen. Ik keek toe en ik probeerde hen bij te staan en op die manier te tonen dat ik al eerder met hout en stenen had gewerkt. Toen ze zagen dat ik handig was, lieten ze voor mij een hamer en een zaag achter en keerden ze terug naar de brandheuvels.

De dag daarna ging ik naar hen toe. Ik bleef een tijdje toekijken hoe ze de grootste meiler bijvulden met hout en het vuur binnenin laag hielden door gaten in de zijwanden te maken of juist weer te dichten. Toen een van de mannen hout van een wat verder gelegen stapel ging halen, volgde ik hem en hielp hem de kruiwagen vullen. Na een tijdje was ik diegene die het hout aanbracht en bleven de mannen bij de meiler.

DSCN4918

Het maken van houtskool vroeg dag en nacht oplettendheid en gedurende een paar weken werkte ik een groot deel van de dag, en soms ook van de nacht, bij de branders. Tussendoor bouwde ik verder aan mijn huis en verzorgde ik mijn schapen. Het eerste schaap lammerde in het weitje dat ik met takken omheind had naast het huis. Het waren twee gezonde rammen. Ik bracht de moeder en de lammeren naar binnen, in de benedenkamer die ik voor mezelf gemaakt had en die ik helemaal kon afsluiten. De andere twee ooien die nu ook gauw zouden werpen, zette ik erbij. Vanaf dat moment bleef ik zoveel mogelijk in de buurt, ik werkte verder aan mijn huis en hield intussen de dieren in het oog. Af en toe ging ik nog wat helpen bij de branders want ze vergoedden mij royaal met brood, bonen en aardappelen.

De tweede ooi wierp ook twee lammeren, een ramlam en een ooilam. Het was goed nieuws en geen goed nieuws. Ik had nu drie rammen die ik over drie maanden zou kunnen verkopen, wat me mijn eerste geld zou opbrengen, maar ik had maar één nieuwe ooi om mee verder te fokken. Ik verwachtte immers niet veel van de derde, magere, ooi die ik ook naar de berg had gebracht. Toch vond ik op een ochtend een lam bij haar. Het zag er gezond uit maar de moeder stond wankel op haar poten. Een dag later ging ze al liggen. Ik probeerde het lam bij de andere ooien te laten drinken, maar het kreeg niet genoeg. De moeder en het lam stierven op dezelfde dag. Ik stroopte hun huid af en bracht de karkassen naar de bergkam. Niet veel later zag ik de gieren al rond de top cirkelen. De huiden zou ik in de winter kunnen gebruiken. Ze waren net groot genoeg om op te liggen en me tegen de kilte die uit de grond kwam te beschermen.

DSCN5259

2 gedachten over “1.10. Vuur”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s