1.11. Sneeuw

Na drie maanden, toen de lammeren groot genoeg waren voor de slacht, keerde ik voor het eerst terug naar het dorp. Ik bracht twee van de rammen naar Julien. Hij kocht een ram van me en gaf een andere jonge ram in ruil voor de tweede zodat ik met deze ram verder kon fokken. Mijn schulden konden wachten, zei hij. Met het geld kocht ik een kookpot, een broek en een warm vest van een leurder. De kleren waren gedragen en versteld, maar ze zouden me van pas komen na de zomer.

Ik ging niet langs bij mijn vader en mijn broers. Julien had het afgeraden en ik geloofde hem dat ik dat beter niet kon doen. Maar voordat ik naar mijn huis op de berg terugkeerde, liet ik mij scheren bij de bakker. Het was aangenaam. Hij legde een hete vochtige doek op mijn kin en mijn wangen, zeepte mij in en schoor in een paar halen de dunne baard van mijn gezicht. Daarna knipte hij mijn haar heel kort. Toen hij klaar was hield hij me een spiegel voor. Ik zag een rare, magere kop: mijn voorhoofd was bruin, mijn wangen en mijn kin waren wit. Ik voelde aan mijn neus. Hij deed al lang geen pijn meer, maar nu zag ik dat hij scheef stond. Daarna voelde ik aan mijn donkere, korte haar. Het was zo kort dat ik de warmte van mijn hoofdhuid voelde. Het kostte maar een paar centen en, overmoedig geworden na al die uitgaven, kocht ik nog twee wittebroden. De Spaanse bakkersvrouw gaf me een krentenkoek toe. Naast haar, achter de toonbank, stond een houten wieg. Ik zag wat donker haar, maar ik durfde niet goed te kijken. Het kind maakte geen geluid, het leek te slapen.

Terug thuis maakte ik een apart hok voor de nieuwe ram. Het ooilam bleef bij de twee oudere ooien en de ram die hier op de berg geboren was en die ik gehouden had, slachtte ik. Een deel van het vlees hing ik te drogen. De rest bracht ik naar de houtskoolbranders. We roosterden het op een vuurtje bij de rivier. Van het gebraden vlees bracht de oudste van de twee een deel naar een verder gelegen huis. Daar woonde een schuwe oude vrouw die ik nooit eerder gezien had en waarvan ik nu pas hoorde. ‘Voor een stuk gebraden vlees zal ze haar deur wel opendoen,’ lachte de jongste.

We dronken die avond ook wat wijn en ik vernam dat de oudste brander een vrouw en twee kinderen had en dat die binnenkort bij hem zouden komen wonen.

‘En na de winter ga ik trouwen,’ zei de jongste.

‘Ho,’ zei ik, want ik wou er meer over weten, maar ik durfde geen vragen te stellen.

Hij knikte.

‘Ze wacht op mij,’ zei hij. Hij wees naar de bergkam. Daarachter ergens, in een van de dorpen die ik niet kende, zat een meisje op hem te wachten.

‘Het zal aanpassen zijn,’ zei hij, ‘voor mij en voor haar.’

‘Vooral voor haar,’ zei de oudste.

Ze vroegen naar mijn plannen en ik wees naar mijn huis en zei iets over de schapen, waarop mijn hoop voor het volgende jaar gevestigd was.

‘Opletten voor de wolven,’ zei de oudste weer, ‘in de winter zoeken ze voedsel en komen ze tot dicht bij de huizen.’

Daar bleef ik aan denken toen het kouder werd. Tegen de tijd dat het begon te vriezen was de bovenste kamer klaar, maar ik bleef de hele winter beneden bij de schapen slapen. Het was er warm en ik voelde me geruster als ik bij hen bleef. Ik leerde het gehuil van de wolven herkennen, en het hese blaffen van vossen en herten onderscheiden. Soms hoorde ik iets aan de deur krabben, maar als ik ging kijken was het al weg. Die winter sneeuwde het gedurende een paar dagen. Voor het eerst zag ik sneeuw die bleef liggen en die een laag vormde waar ik tot mijn kuiten inzakte.

DSCN4967

Een gedachte over “1.11. Sneeuw”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s