1.13. Hemel

In de eerste jaren dat ik hier woonde, waren we met zijn achten. De oudste brander met vrouw en kinderen, de jongere brander met zijn echtgenote, de schuwe vrouw in het huis wat verderop, en ik. Rond de overblijfselen van wat ooit een kerk of een kapel moet zijn geweest, lagen nog een tiental ruïnes. Ook in de bossen op de hellingen ontdekte ik nog leegstaande huizen. Sommige in betere staat dan de vervallen huizen die hier in het gehucht bij elkaar stonden. Maar de mensen die er in de loop van de jaren bijkwamen, vestigden zich allemaal in de kom. Een paar nieuwkomers probeerden zich te vestigen in de huizen op de hellingen, maar ze verhuisden al snel naar de huizengroep.  In het bos was het donker en koud en ze voelden zich er onveilig.

Nu zijn we met een dertigtal, denk ik. De oudste brander is al jaren dood. Het harde werk, het voortdurende wisselen van de hitte bij de meiler en de koude lucht daaromheen maakte hem ziek. Pas bij zijn dood, toen ik hem een laatste groet ging brengen en samen met de jongere houtskoolbrander de nacht bleef waken, vernam ik zijn naam. Hij heette Romain. We hadden elkaar in al die jaren nooit bij naam genoemd. We hadden elkaar ook nooit een hand gegeven. Als we elkaar ontmoetten, knikten we en vervolgens begonnen we samen houtskool te maken of een muur te herstellen zonder dat we daar veel woorden bij nodig hadden.

Zijn weduwe en zonen wonen nog steeds in zijn huis. Er wordt bijna geen houtskool meer gemaakt, de grote meilers zijn verdwenen. Er is nog een kleine meiler waar een paar keer per jaar houtskool wordt gebrand voor de mensen van het gehucht. Er wordt nog wel hout gehakt en naar het dal gebracht. Vooral naar wintereik is veel vraag in de lager gelegen gebieden.

Er is nu wat meer lawaai overdag. Hakken, zagen, kloppen. Er wordt heen en weer geroepen. Er zijn spelende kinderen. Negen huizen worden nu bewoond. En sinds een paar weken zijn ze aan de kerk begonnen. Ze zijn met drie, soms met vier en ze werken er elke avond aan. Voor mij hoeven ze dit niet te doen. Wat hebben we aan een kerk hier op de berg? Welke priester zal hier de mis komen lezen? In de priorij zijn ook al niet veel paters meer.

Die mannen, die zoveel arbeid willen opbrengen voor een kerk, zullen wel gelovig zijn. Ze geloven in God en de hemel. Het is hun goed recht om daarin te geloven, maar zelf heb ik weinig verwachtingen. Ik heb dode mensen en dode dieren gezien en uiteindelijk vergaat alles tot stof.

De hemel heb ik gezien. De hemel bestond uit groene weiden en witte schapen, de zon die opkwam en weer onderging achter de bergen. De donkerblauwe nachten onder flonkerende sterren op mijn veldbed daarboven. Want toen mijn kudde groter werd, moest ik naar graasland zoeken. En het beste gras groeit in de hoogste weiden. In de zomermaanden trok ik er met de schapen heen en bleef ik dagenlang met hen op de berg. Het was de mooiste tijd.

Ik heb een goed leven gehad. Ik ben niet bang voor wat er komt.

_MG_0011

Foto: Jan Van den Hove

Een gedachte over “1.13. Hemel”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s