1.14. Moïse

In diezelfde periode begon ik ook vaker naar het dorp in de vallei te gaan. Ik ging er gereedschap en huisraad kopen. Ik liet mijn kleren herstellen bij de naaister en haalde een scheerbeurt bij de bakker.

De bakker heette Arturo en was een stuurse man. Hij drukte zich uit in gebaren. Als het mijn beurt was wees hij naar de stoel. Ik nam plaats en hij begon zonder vragen of uitleg te scheren. Daarna liet hij de schaar zien en als ik knikte begon hij te knippen. In de winter liet ik mijn haar lang, in de zomer had ik het graag kort. Arturo was niet vriendelijk, maar ook niet ruw. Het scheren vond ik behaaglijk. Meestal was zijn vrouw, Maria Luisa, er ook. Zij bediende in de winkel en liep heen en weer tussen de winkel en de bakkerij. En vanaf mijn plaats op de scheerstoel zag ik soms het dochtertje. Vaak zat het meisje in de bakkerij op de grond te spelen met sliertjes deeg. Het was een mollig kindje en het had het dikke zwarte haar van haar moeder. Haar broers zag ik bijna nooit.

Bij de naaister waren er intussen ook drie kinderen. Het oudste meisje deed meestal op haar tenen de deur open als ik aanbelde. Ze leek op haar moeder, dezelfde bleke huid, hetzelfde lichte haar. Ze opende de deur van de woonkamer en liep dan de gang door naar de keuken. Daar zag ik soms de kleintjes die om de hoek kwamen kijken en meer dan eens zag ik er ook het dochtertje van de bakker. Omgekeerd kwam het voor dat het oudste meisje van de naaister bij de bakkerin was.

Als de twee meisjes samen waren, maakten de klanten in de bakkerij wel eens grapjes. Dat ze op dezelfde dag geboren waren, werd dan keer op keer herhaald. Gewoonlijk lachte ik mee en een keer liet ik me ontvallen dat ik dat nog wist, omdat ik op de dag van hun geboorte in de dorpsstraat was en hen had horen huilen.

Het was Moïse, een knecht van Julien die me in verlegenheid bracht. Hij stootte me aan en gebaarde met zijn kin naar de meisjes.

‘Zijn ze niet prachtig om te zien? Nog een paar jaar en dan kijken alle jongens hen na. Zou je er niet eentje reserveren?’ Hij lachte en toen hij zag dat het bloed me naar de wangen steeg, lachte hij nog harder.

De bakkerin lachte ook, maar ik betaalde snel mijn brood en haastte me naar buiten. Ik voelde me betrapt. Het was alsof Moïse had geraden dat ik wel eens aan die meisjes dacht. Dat ik me voorstelde dat ze over een aantal jaren jonge vrouwen zouden zijn en dat ik dan met een van hen zou trouwen. Ik had me zelfs al afgevraagd wie van de twee het meest geschikt zou zijn om op de berg te komen wonen. Het Spaanse meisje was de kleinste van de twee, maar ze leek erg op haar vader, die onvriendelijk leek, maar een harde werker was. Het meisje heette Amparo, een ongewone naam. Maar het waren Spanjaarden.

Het oudste dochtertje van de naaister heette Colombe. Ik vond het geen mooie naam. Ik kende alleen oude vrouwen die Colombe heetten. Ik vond die naam niet passen bij zo’n tenger kind. Haar zusjes heetten Delphine en Marie, ving ik op. De moeder heette Camille, maar ik sprak haar in die tijd aan met mevrouw.

‘Oh, die Moïse,’ zegt mijn vrouw, ‘wat een plaaggeest was dat! Hij is ermee begonnen. Hij heeft dat verhaal verzonnen. En wij, onnozele kinderen, geloofden hem!’

 

Na die gênante opmerking van Moïse bleef ik een paar maanden weg uit het dorp. Pas toen de lammeren groot genoeg waren om ze naar Julien te brengen ging ik terug. Julien kocht de dieren van me over, liet ze slachten door zijn knechten en verkocht het vlees door aan slagers in de omliggende dorpen. Het was van zijn vrouw, Berthe, dat ik vernam dat de man van de naaister overleden was. Hij was van een ladder gevallen met een mes in zijn hand en had zichzelf daarbij in de buik gestoken. De paters waren erbij geroepen en ze hadden hem ter plaatse verzorgd, maar een dag later was hij gestorven. Berthe huilde toen ze het vertelde. Julien zat er verslagen bij. Het was op hun erf gebeurd. Ik durfde die dag niet bij de naaister langs te gaan, het ongeluk was nog maar een paar weken geleden gebeurd. Ik ging wel naar de bakkerij. Het was er stil. De bakkerin was bleek en zag er bedrukt uit, de bakker schoor mij zoals gewoonlijk zonder veel woorden. Vanaf mijn stoel zag ik de twee meisjes, Amparo en Colombe, aan de lange tafel in de bakkerij zitten. Ze droegen schortjes in vrolijk geruite stof over hun witte bloesjes. Het was mooi om te zien: een donkerharig en een blond meisje die meel op de tafel strooiden en er letters in schreven. Ze giechelden achter hun handen, zoals meisjes doen.

‘Dat je zolang hebt gewacht,’ zegt mijn vrouw.

‘De jaren vlogen voorbij,’ zeg ik.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s