1.15. Camille

Het was Julien die erover begon en Berthe viel hem bij: Werd het niet hoog tijd om een vrouw te zoeken? Ik had toch een huis, een kudde en geld? Het huis en het stuk land eromheen was zelfs al op mijn naam beschreven bij de notaris. Het was nog niet echt mijn eigendom, maar zolang er zich geen eigenaar bekend maakte, mocht ik er blijven wonen en na verloop van tijd zou ik het eigendomsrecht kunnen verwerven. Ook dat had Julien voor mij geregeld.

De kudde groeide. Niet te snel, want ik wilde het in mijn eentje aankunnen. Ik had een dertigtal schapen en dat volstond. Ik kon elk jaar tientallen lammeren verkopen en dat bracht geld op dat ik voor een deel bij de notaris deponeerde en voor een deel gebruikte om mijn huis comfortabeler te maken.

‘Waar wacht je op?’ vroeg Julien. ‘Toch zeker niet op een van die twee kinderen uit de dorpsstraat?’

‘Er wordt over geroddeld,’ zei Berthe erbij.

‘Dat is toch wel onzin,’ zei Julien.

‘Ken je dan geen meisjes? Heb je niemand op het oog?’ vroeg Berthe.

Hun vragen maakten mij onrustig. Natuurlijk had ik er wel eens aan gedacht, maar ik kende geen vrouwen die geschikt leken om op de berg te wonen. Er waren meisjes in het dorp die mij wel bevielen en aan wie ik wel eens dacht in een verloren moment, maar geen enkele gunde mij ook maar iets van aandacht en hen aanspreken leek mij ondenkbaar.

Berthe en Julien keken elkaar aan. Toen begonnen ze over Camille, de naaister. Ze was nu al langer dan een jaar weduwe. Een paar maanden na het ongeluk had ze nog een kind gekregen. Ze was alleen met vier kleine kinderen.

‘Het is haar niet aan te zien,’ zei Berthe, ‘maar ze werkt hard en ze heeft het vast moeilijk om de eindjes aan elkaar te knopen. Bij de geboorte van het vierde kind, een jongen, hebben we haar een som geld gegeven zodat ze voorlopig in haar huurhuis in de dorpsstraat kan blijven wonen. Maar het zou beter zijn dat ze hertrouwde. Ook voor de kinderen.’

‘Jullie hebben ongeveer dezelfde leeftijd,’ voegde ze eraan toe. ‘Jullie zouden een mooi paar zijn.’

Ik stond versteld. Aan die mogelijkheid had ik nog geen moment gedacht. Ik zag meteen een hoop praktische problemen: mijn huis was te klein voor een gezin met vier kinderen.

‘Je kunt het vergroten,’ zei Julien.

‘Of je kunt weer in het dorp komen wonen en een herder in dienst nemen,’ zei Berthe.

Ze brachten mij in verwarring. Julien en Berthe waren mensen die van aanpakken wisten en die voor alles een oplossing vonden. Daarom waren zij zo welvarend, begreep ik nu. Ze waren verstandig, ze hadden me al zo vaak geholpen, er was reden genoeg om naar hen te luisteren.

Ik probeerde me Camille voor de geest te halen. Ik had haar al een tijdje niet meer gezien. Ze had wat verstelwerk voor mij gedaan en ze had een broek en een gilet voor me gemaakt. Ik herinnerde me de eerste keer dat ik haar zag, vooraan in de doopstoet, met haar kind tegen zich aangedrukt en in die vreemde jurk met brede stroken aan de rok. Ze droeg nog steeds rokken met stroken. Als ze voor mij uit liep van de straatdeur naar de woonkamer, waar ze werkte, kon ik de vele lagen stof horen ruisen. Ze droeg ook nog steeds geen mutsje op haar lichte haar. Ze was anders dan de meeste vrouwen in het dorp, al leek het erop dat een paar vrouwen haar voorbeeld volgden en geen kanten mutsje meer droegen. Ze was beleefd en ernstig, maar niet onvriendelijk.

Ik had nooit aan haar gedacht als een mogelijke echtgenote. Ik schaamde mij over mijn gedachten over haar oudste dochter, Colombe, en over het meisje van de bakker, Amparo. Nadat Moïse mij in verlegenheid had gebracht bij de bakker, had ik een tijdje geprobeerd om de meisjes uit mijn hoofd te zetten. Maar elke keer als ik ze zag, kon ik het niet laten om ze me voor te stellen als ze wat ouder zouden zijn. En dan begon ik ze weer met elkaar te vergelijken. Ik vond Colombe mooier dan Amparo, maar Amparo was een sterk meisje, dat zag je. Ze had brede schouders en stevige armen. Het werd een spel dat ik soms speelde als ik de schapen hoedde en te veel tijd had om te dromen.

Als ik met Camille zou trouwen, zou me dat misschien verlossen van mijn voorstellingen en mijn twijfels over de meisjes. Dat was de gedachte die door mijn hoofd ging toen ik van Juliens boerderij naar Camilles huis liep. Aan Julien en Berthe had ik gezegd dat ik erover zou nadenken. En dat meende ik. Ik belde bij Camille aan en bestelde bij haar een stel lakens.

‘Welke maat?’ vroeg Camille, ‘Welke afmetingen heeft je bed?

‘Er is nog geen bed,’ zei ik, ‘ik ga er een maken.’

Tot dan had ik op een opvouwbaar veldbed geslapen dat ik zelf in elkaar had gezet en dat ik meenam als ik met de schapen naar de zomerweide trok.

Ze schreef op een papier de afmetingen van het bed dat ik nog moest timmeren en ze noteerde voor zichzelf de afmetingen van de lakens. Ik gaf haar een voorschot en ik hoopte dat ze het beven van mijn handen niet had gezien.

Aan die lakens hebben we met zijn drieën gewerkt,’ zegt mijn vrouw, ‘lakens voor een herder! En dan nog die herder, van wie gezegd werd dat hij met een van ons zou trouwen.’

 

 

20190110_093329

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s