1.17. Amparo

De gedachte aan trouwen zette ik een tijdje uit mijn hoofd. Ik had het gevoel dat ik ergens aan ontsnapt was en ik besefte hoe goed ik het had in mijn eentje. Ik hield me met de schapen bezig. Het ene jaar was dat gemakkelijker dan het andere. Als de seizoenen gematigd waren, had ik geen problemen. Maar bij een uitzonderlijk droge zomer moest ik met de schapen hoger gaan om groene weiden te vinden, en ook het hooien voor de winter was dan lastiger.

Tijdens de strenge winters zwierven er wolven rond het dorp en moest ik dag en nacht waakzaam zijn. Als het gesneeuwd had, moest ik de schapen soms dagenlang binnen houden. Naast het huis bouwde ik een grotere stal die ik goed kon afsluiten, maar als ik ongerust was, bleef ik ‘s nachts bij de schapen. In die maanden dat ik in de buurt van het huis en de stal bleef, knutselde ik ook meer aan de inrichting van mijn huis. Ik installeerde het bed in een hoek en bouwde een houten tussenschot achter het voeteneind zodat ik een alkoof had. Ik maakte zelf een matras van stro en jute, en overwoog om een gordijn voor de alkoof te hangen.

Voor al dat knutselwerk had ik materiaal en gereedschap nodig en ik ging weer regelmatig naar het dorp, vooral op de dagen dat het markt was. Ik ging ook weer naar Camille, want zij kon me stoffen en een nieuwe deken bezorgen en ik wilde haar vragen om een gordijn te naaien.

We kwamen niet meer terug op mijn aanzoek, we deden beiden alsof het nooit was voorgevallen. Ik had wel de indruk dat ze vriendelijker was dan voorheen. Ik schepte er ook plezier in om bestellingen bij haar te plaatsen en kleding te laten verstellen omdat ik wist dat ze het geld nodig had. Ik kwam er minstens een keer per seizoen over de vloer en ik zag haar kinderen groeien. Colombe begon meer en meer op haar moeder te lijken. Ze droeg nu ook rokken met stroken en ze vlocht linten in haar haar. Als ze de deur opendeed, zei ze niet veel, maar ze keek me recht aan. Ze liep voor me uit door de gang en haar rokken ruisten. Nadat ze me in de woonkamer had gelaten, verdween ze naar de keuken. De manier waarop ze me vrijpostig aankeek, bracht me soms in verwarring. Maar ik sloot haar uit als mogelijke echtgenote. Ze was te tenger gebouwd, vond ik. En als de moeder mij niet had gewild, zou de dochter mij ook niet willen.

Ik kreeg belangstelling voor Amparo. Net als Colombe kreeg ze een vrouwenlichaam. Maar ze was steviger gebouwd. Ze had een brede rug, en gespierde armen en handen. Waarschijnlijk van het kneden, want ik zag haar steeds vaker aan het werk in de bakkerij. Ze stond zelden in de winkel, haar moeder bediende de klanten. Een enkele keer was zij het die de broden aanreikte en het geld ontving, maar dan was ze meestal geflankeerd door Colombe. De twee meisjes leken een hechte vriendschap te hebben en ik had al door dat als Colombe bij hen thuis de deur niet opendeed, ze waarschijnlijk in de bakkerij was.

Dat Amparo het stuurse voorkomen van haar vader had, stoorde mij niet. Integendeel, het trok me aan. Ze was ook niet uitzonderlijk mooi. Ze had een donkere huid en veel, dik haar dat in een vlecht op haar rug hing. Ze had volle wenkbrauwen die haast tegen elkaar aan groeiden. En ze had dons op haar bovenlip.

Ik probeerde wel eens een gesprek met haar aan te knopen, maar ze ging met tegenzin op mijn vragen in. Op een dag vroeg ik naar haar broers. Ik had ze al lange tijd niet meer gezien.

‘Ze zijn weg,’ zei ze.

‘Waarheen?’ vroeg ik.

Ze haalde haar schouders op.

‘We weten het niet,’ fluisterde ze en ze keek over haar schouder alsof ze zeker wilde zijn dat haar ouders haar niet hadden gehoord.

Het was het eerste wat ik ervan hoorde en ik vroeg me af wat er gebeurd was. Berthe wist me te vertellen dat de jongens al een hele tijd verdwenen waren. Ze liepen weg in het jaar van het ongeluk van Baptiste, de man van de naaister, zelfs nog voordat het ongeluk gebeurd was.

‘De zonen van de bakker, Javi en Luìs, zijn dat jaar maar een paar keer komen helpen in de fruitpluk en daarna zijn ze verdwenen,’ zei Berthe. ‘Ze hebben thuis kleding en zelfs geld meegenomen. Ze waren toen maar een jaar of zestien, de oudste misschien zeventien of achttien. De bakker is hen nog gaan zoeken, hij is tot aan de grens geweest, en de bakkerin, dat arme mens, is er ziek van geworden.’

Een paar weken later was Baptiste van de ladder gevallen. Iedereen in het dorp was daardoor in beslag genomen en er werd niet meer over de verdwijning van de jongens gerept.

20190101_161630

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s