2.1. Koud

De luiken blijven vandaag gesloten. Ik hoef niets te doen, ik mag wachten tot ze komen.

Eerst zal de zoon van Romain, de houtskoolbrander komen. Hij zal vragen of het zover is en dan als eerste gaan kijken naar het dode lichaam van de man die in zijn ogen altijd oud is geweest. Zo oud als zijn vader, die er ook al jaren niet meer is. Daarna zal hij zijn moeder en zijn vrouw halen. Zijn vrouw zal een paar andere vrouwen meebrengen. Ondertussen zal hij de mannen bij elkaar roepen. Ze zullen een kist maken en hierheen brengen.

De vrouwen zullen zeep en doeken meebrengen, maar ze komen onverrichterzake. Ik heb alles in huis. Ik heb alles al gedaan. Ik heb zijn ogen gesloten en zijn gezicht gewassen. Zijn baard heb ik gisteren nog geschoren. Dat had hij me toen gevraagd. Na het scheren zouden we samen een kom soep eten, maar hij had geen honger zei hij. ‘Ik heb niets nodig,’ zei hij nog, en ‘Het is niet ver’. Ik sloeg er geen acht op, maar nu houdt het mij bezig. ‘Het is niet ver’, zei hij. Waar is hij dan naartoe?

Hij ging naar bed zonder eten en hij sliep snel in. Daarna werd hij onrustig. Hij woelde, richtte zich een paar keer op alsof hij wilde opstaan en liet zich weer op het kussen vallen. Toen ik naast hem ging liggen en zijn hand vasthield, werd hij rustiger. Ik stak de petroleumlamp aan, ging rechtop in bed zitten en ik keek naar hem. Ik schikte een paar kussens achter mijn rug want ik wilde niet in slaap vallen. Ik richtte me op zijn ademhaling die erg onregelmatig was. Soms leek het alsof het ademen wegstierf, dan weer werd het gejaagd en dwingend. Hij zoog lucht alsof er te weinig van in de kamer was. Nog een keer opende hij zijn ogen.

‘Bang dat ik de weg niet vind,’ stamelde hij.

Toen begon hij te fluisteren met gesloten ogen.

‘Ik wil nog niet van je weg…’

Hij zuchtte.

 

Nu is zijn lichaam koud. Kouder dan de lakens, kouder dan de lucht in de kamer, kouder dan buiten. Hoe kan het zo koud zijn?

Het was nog donker buiten toen ik, na zijn gezicht, ook zijn lichaam waste dat steeds kouder werd. Ik haastte me. Ik droogde hem deppend af, voorzichtig, bang dat ik zijn dunne huid zou schaven. Ik kleedde hem aan. Ik trok hem een warme caleçon aan en daarover zijn beste broek. Ik deed hem een lijfje aan, een hemd en een gilet. Zijn vest legde ik over hem.

De broek en het gilet zijn stukken die mijn moeder nog heeft gemaakt. Nog voor ons trouwen. Voor we zelfs verloofd waren. Michel was al jaren klant bij mijn moeder. Hij mocht haar graag. Hij heeft haar zelfs ten huwelijk gevraagd. Dat heeft hij me nog niet zo lang geleden verteld. Mijn moeder heeft het er nooit over gehad.

Vorige week begon hij opnieuw over mijn moeder. Hoe hij haar ten huwelijk had gevraagd. Het waren Julien en Berthe die hem ertoe aangezet hadden. Eerst had hij een paar lakens besteld.

Lakens. Geen enkele herder had lakens in die tijd. Ze sliepen op varens of op stro als ze binnen sliepen. Als ze dagen wegbleven in de hoger gelegen grasweiden namen ze een veldbed mee dat ze zelf gemaakt hadden met stokken en touwen. Het hield hen van de koude grond. Michel sliep in zijn huis op schapenhuiden en stro, met alleen een deken over zijn geharde lijf.

Ik begreep niet hoe hij ertoe gekomen was om lakens te bestellen.

‘Ik had niets om te verstellen,’ zegt hij. ‘Ik had een broek voor de week en een broek voor de feestdagen. Ik had drie hemden, een gilet en een vest. Ik had niets nodig. Daarom liet ik lakens maken.’

Het was stevig lijnwaad. Mijn moeder kocht het van een handelaar die vier keer per jaar met stoffen kwam. Zij sneed de lakens op de juiste lengte. Amparo naaide de onderboord en ik de bovenboord. Met drie werkten we aan die lakens voor de herder. Voor de man die ons in spanning hield. Van wie gezegd werd dat hij met een van ons, met Amparo of met mij zou trouwen.

 

Toen ging hij mijn moeder vragen. Als zij ja had gezegd, was alles anders gelopen. Maar ze had geweigerd, ze wilde niet met hem trouwen en op de berg komen wonen. Er waren verder geen woorden aan besteed. Hij was na amper een kwartier uit de woonkamer gekomen en weer weggegaan. Amparo en ik hadden hem horen binnenkomen en we wachtten in de keuken. We wisten niet waarover er gesproken werd. Pas jaren later kwam ik het te weten, van hem.

 

Nadat hij de lakens was komen ophalen en betalen, hebben we hem lange tijd niet meer gezien. Misschien kwam hij wel in het dorp, maar hij kwam niet meer bij mijn moeder langs. Op een dag stond hij weer in de bakkerij. Amparo hield die dag de winkel open en ik was bij haar. Ik vond het heerlijk om de broden aan te reiken, Amparo ontving het geld. De herder kwam binnen en vroeg of de bakker er was. Amparo ging haar vader halen. Ik bekeek hem. We zeiden geen woord. Hij stond te wachten in het deurgat van de kapperskamer. Hij had een volle baard en zijn donkere haar hing op zijn kraag. Zijn kleren zagen er niet vuil uit, wel verfrommeld. Hij droeg platte klompen met een leren bovenstuk. Het leer blonk, ik vroeg me af of hij het gepoetst had met vet. Ik kon mijn ogen niet van hem afhouden en ik bleef kijken tot hij zich blijkbaar ongemakkelijk begon te voelen en zich omdraaide. Hij keek de kapperskamer in.

Amparo’s vader kwam eraan, hij sloeg de bloem van zijn schort, wreef zijn handen schoon aan een handdoek en wees naar de kappersstoel. Hij trok het gordijn in het deurgat dicht. Amparo en ik keken elkaar aan. We waren hem net beginnen vergeten en nu was hij daar weer.  We stonden stil in de winkelruimte en luisterden naar de geluiden. Er werden wat woorden uitgewisseld maar we konden er niets van verstaan. We hoorden het gerommel achter het gordijn en zelfs het knisperen van de schaar, zo stil was het.

Amparo’s gezicht stond op onweer, ik zag het. Ze kon zo boos kijken als haar vader. Ze trok dan haar dikke wenkbrauwen samen. Het verontrustte me niet. Ik kende haar zo goed. Ze zag er soms nors en ontevreden uit, maar even later kon ze ontwapenend lachen. Ze had een lichtbruine huid in de winter en een donker gezicht in de zomer. En ze had haartjes op haar bovenlip. Mijn moeder had wel eens voorgesteld om ze met hete was weg te halen, maar Amparo wilde daar niet van weten.

Er kwam een vrouw een zak stokbroden ophalen en Amparo bediende haar met haar boze gezicht. Ik lachte en knikte naar de vrouw om Amparo’s onvriendelijkheid goed te maken.

Even later werd het gordijn opengeschoven en kwam de herder naar buiten. Zijn haar was kort geknipt, zijn wangen waren glad en wit, zijn voorhoofd bruin. Het was een vreemd gezicht. Ik staarde hem weer aan. Ik wist dat ik staarde, maar ik kon het niet laten. Deze keer keek hij terug. Ik voelde mijn hart kloppen van spanning. Ik wist plots dat het waar was, het gerucht. Dat hij terug zou komen. Dat hij een van ons zou kiezen. En de gedachte daaraan bracht een soort opwinding bij mij teweeg die ik niet kende. Vanaf die dag, dacht ik er bijna dagelijks aan. Ik woog in zijn plaats het voor en het tegen af. Ik werd me bewust van mijn charme. Ik wist dat ik op mijn moeder leek. Ik had haar lichte haar en haar fijne handen. De jongens in het dorp keken naar mij om. Maar Amparo had haar kracht, die te zien was aan haar stevige schouders en de dikke gitzwarte vlecht op haar rug. Amparo was sterk. Ze kon uren kneden, ze kon zware teilen tillen, ze leek onvermoeibaar. Amparo zou een vrouw worden die het harde leven op de berg zou aankunnen.

En toch koos hij mij.

20190429_174129

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s