2.2. Sprokkelen

Ik zweet nog na van het tillen, het duwen en het trekken aan zijn lichaam. Ik beef, ik moet gaan zitten. Ik schuif een stoel naast het bed. Ik raak zijn voorhoofd aan, zijn lippen, ik voel aan zijn hals. Ik blijf me verwonderen over de koude die zijn lichaam lijkt af te geven. Ik denk aan vroegere doden, aan mijn vader, aan de ouders van Amparo, Arturo en Maria Luisa, aan Julien en Berthe, aan een man, hier in het gehucht, die zich heeft opgehangen, aan een kind dat vorig jaar aan een schorpioenenbeet is gestorven. Ik kan me die koude niet herinneren. Geen van hen heb ik ooit aangeraakt.

Het is die koude die me aan het snikken brengt. Mijn lichaam huilt vanzelf. Mijn schouders schokken. Mijn ogen en mijn neus vullen zich met tranen. Is er reden om te huilen? Michel heeft zijn tijd gehad. Hij is oud geworden. Ik weet niet eens hoe oud hij precies is. Hij wist het zelf niet. We hebben het wel eens uitgerekend. Ongeveer. Want ik weet wel hoe oud ik ben. Mijn moeder hield alles bij in een schrift.

Michel was in ieder geval veel ouder dan ik. Een jaar of twintig ouder dachten we. Mijn moeder is nu drieënzeventig jaar. Hij moet ook zoiets zijn. Behalve mijn moeder ken ik niemand die zo oud is als hij. In het gehucht zijn ze allemaal jonger, jonger dan Michel, jonger dan ik nu. Ze zijn na ons hier naartoe gekomen of ze zijn hier geboren. Van de mensen die hier woonden, toen wij pasgetrouwd waren, is er alleen nog de vrouw van Romain. Ik zie haar soms als ik de schapen wegbreng of terughaal. Ze loopt zo gebogen dat de zoom van haar zwarte rok over de grond sleept, maar ze sprokkelt nog steeds. Als ik haar zie lopen, denk ik aan de schuwe vrouw die hier vroeger woonde en die we later, toen we merkten dat er geen rook meer uit de schouw van haar huis kwam, dood in haar huis vonden. Ook zij kwam nog enkel naar buiten om te sprokkelen. En dan vraag ik mij af of ik ook zo zal worden. Daar denk ik soms aan. Zal ik hier blijven? Zal ik zo’n oude, sprokkelende vrouw worden? Waar kan ik heen?

De buren zullen vandaag komen. De vrouwen brengen eten mee. Ik zal koffie zetten. Ze zullen naar hem komen kijken, hun hoofd schudden en een kruis slaan. En ze zullen bij mij blijven tot de avond. Dan komen de mannen die bij hem zullen waken.

Waar zal ik slapen? Ik wil niet naar het dal gaan, niet bij mijn moeder en Delphine. Ook niet bij iemand van de mensen hier. Ik blijf in mijn huis. Ik heb het veldbed van Michel, ik vind wel een plek waar ze mij met rust zullen laten. Misschien in de benedenkamer, waar we vroeger de schapen soms binnenhielden. De hond zal bij me blijven.

Ik heb de deur op een kier gezet. Het is al licht. De mensen zijn wakker. Iemand zal naar de helling kijken, in de richting van ons huis, en zal misschien denken: ‘De luiken zijn nog gesloten bij de herder. We moeten gaan kijken.’

DSCN2003

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s