2.3. Wake

Terwijl de mannen waken, lig ik op Michels veldbed in de benedenkamer. De geur van een ooi die ik naar binnen heb gebracht, kalmeert me. De schapen blijven rond deze tijd  buiten maar deze ooi heeft voor het eerst geworpen en ze heeft moeite met het zogen van haar tweeling. Ik wil haar ruiken en het geritsel van de kleintjes horen. Een van de honden houd ik ook bij mij. Het is Noude, de meest onrustige van de drie, maar vandaag blijft hij aan mijn zijde. Hij jankt zachtjes. De honden zullen hem missen.

Na vanochtend heb ik niet meer gehuild. Ik heb de mensen binnengelaten. Ze zijn allemaal naar hem komen kijken. Alle mannen, alle vrouwen, alle kinderen die hier op de berg wonen. De mannen drukten mijn hand, de vrouwen omhelsden mij, de kinderen staarden naar mijn mond. Ik zou zelf bijna vergeten dat ik een litteken heb, dat mijn mond wat scheef trekt als ik spreek, dat er drie tanden ontbreken. Ik weet dat het opvalt, juist omdat mijn overige tanden nog gaaf zijn.

Ik wil nu niet denken aan het ongeluk. Want het was een ongeluk: ik struikelde. Maar Michel begon er een paar dagen geleden weer over en als mensen naar mijn mond kijken en hun verbazing of zelfs ontzetting niet kunnen verbergen, komt het elke keer terug. Het ongeluk, en die hele dag toen het gebeurde, het bezoek van Amparo, de enige keer dat ze hier geweest is. Ik wil er nu niet aan denken. Later. Later als ze weg zijn. Als iedereen weg is.

Ik kan niet slapen na al die drukte, na dat bezoek dat er vandaag geweest is. Misschien kan ik beter opstaan en deeg maken. Morgen zullen er nog meer mensen komen. Ik kan maar beter wat meer brood in huis hebben.

Morgen komen Delphine en Marie, met mijn moeder. Maries man heeft een paard en een kar. Hij zal ze brengen. Delphine met haar man en haar zonen, Marie met haar dochters.

Augustin is hier al. Hij zit bij de mannen. Ik hoor hen op gedempte toon praten. Ze proberen elkaar wakker te houden, maar af en toe begint er toch een te snurken. Soms staat er iemand op en gaat naar buiten. Ik hoor het gestommel, ik hoor het ingehouden gevloek, ik hoor het pissen. Ik hoor alles, behalve wat ze zeggen.

Ik vraag me af wat ze zeggen. Ze zullen het wel over Michel hebben. Er valt niet veel te zeggen. Een herder met een eigen kudde, een paar honden en een vrouw. Geen kinderen. Hoewel, de ouderen kennen het verhaal. Dat van de jongen die herder wilde worden en met drie ooien de berg optrok en zwoer dat hij zou terugkeren om te trouwen met een van de meisjes die toen net geboren waren -op dezelfde dag nog wel. Dat van het zweren is niet waar. Michel gaf toe dat hij aan de meisjes gedacht had, maar dat had hij aan niemand verteld. Hij zei dat de mensen maar wat verzonnen hadden, maar dat hij het op den duur zelf was gaan geloven. Dat zei hij. Later, veel later, toen het een keer ter sprake kwam.

Het verhaal zal morgen opnieuw verteld worden. Ze zullen het herhalen en opsmukken en als ik in de kamer kom, zullen ze hun stemmen dempen. Maar zij weten er niet eens de helft van. Zij weten niet hoe het gerucht dat de herder met een van ons zou trouwen met ons meegroeide, zich in onze huizen, en zich in mijn vriendschap met Amparo nestelde.

20190110_093329

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s