2.4. Troost

Amparo en ik woonden in twee huizen. Als ik aan mijn kindertijd denk, dan denk ik evenveel aan de bakkerij als aan ons huis. Had het aan mij gelegen dan had ik nog meer tijd in de bakkerij doorgebracht dan door mijn moeder was toegestaan: het rook er zo lekker, het was er altijd warm. Maar er was vooral een soort vrijheid die er in ons huis niet was. Mijn moeder was er altijd. Ze zag en hoorde alles. Zelfs als ze aan de grote tafel in de woonkamer zat te naaien, hield ze ons in het oog. Amparo’s ouders hadden hun handen vol en lieten ons begaan. Ze vonden het niet erg dat we in de achterkeuken de kommen met slagroom, crème anglaise of abrikozenconfituur uitlikten, dat we met restjes deeg of bloem speelden, dat we oneetbare broodjes bakten of dat we uren in Amparo’s kamer zaten, waar we mama en papa speelden met mijn lappenpop. Hun woonkamer was veel kleiner dan de onze en was nooit opgeruimd. Er stonden zakken meel tegen de muren, en op alle stoelen stonden schalen en kommen. Over het bed in de alkoof hingen handdoeken en schorten. Het was geen plek om te spelen en dus speelden we overal, zelfs op zolder.

Als mijn moeder weer eens vond dat het genoeg was geweest, dat ik wat meer thuis moest blijven en nuttige dingen moest doen zoals op mijn zusjes passen en leren naaien, kreeg ik gelukkig gedaan dat Amparo mee mocht komen en bij ons mocht blijven. Op die manier waren we bijna altijd samen. Alleen slapen deden we elk in ons eigen bed.

Behalve die ene keer. Die dag dat mijn vader van de ladder was gevallen. Ze hadden hem op een draagberrie naar huis gebracht. Eerst hadden ze hem op de tafel in de woonkamer gelegd en de paters erbij geroepen. Die waren uren met hem bezig geweest. Wij, de kinderen, moesten in de keuken wachten. Amparo en ik stonden bij de deur en probeerden te verstaan wat er in de woonkamer gezegd werd. We hoorden mijn vader kermen. We hoorden de deuren open en dicht gaan en mensen binnenkomen. Als we de deur van de keuken opendeden, kwam Maria Luisa, Amparo’s moeder, sussend op ons toe, maande ons aan om stil te zijn en geduld te hebben. Ze zei dat we de kleintjes wat melk moesten geven en dat we moesten bidden. Ze sloot de deur. Wat later hoorden we aan het gestommel dat mijn vader in bed werd gelegd. De deur van de keuken ging open en Maria Luisa nam ons mee naar de bakkerij.

Delphine en Marie waren doodop en werden in het bed van Amparo’s broers gelegd. De jongens waren er niet. Amparo zei dat ze weggelopen waren en geld hadden meegenomen en dat het het beste was als we deden alsof ze er nooit waren geweest.

Ik mocht bij Amparo slapen. Ik weet nog dat ik huilde en bleef huilen en dat Amparo met zakdoeken mijn gezicht depte. En dat ik dat eigenlijk heerlijk vond en bleef huilen tot ik me nog nauwelijks wakker kon houden. Tenslotte draaide Amparo zich om en ik kroop tegen haar rug aan. Het was de eerste keer in mijn leven dat me iets ergs overkwam en hoewel ik bang en verdrietig was, drong de ernst van de situatie niet echt tot me door. Ik voelde me warm en veilig, en voorlopig helemaal getroost.

fullsizeoutput_455

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s