2.5. Ruzie

Amparo en ik hadden ook wel eens ruzie. Meestal over bagatellen. We waren als zusjes opgegroeid, maar omdat onze ouders niet in hetzelfde huis woonden, werden ruzies juist snel bijgelegd. Als we elk in ons huis zaten te mokken begonnen we elkaar al snel te missen en zochten we elkaar weer op. Meestal was ik het die naar de bakkerij trok om het bij te leggen en altijd was Amparo meteen blij en opgelucht om me te zien.

Maar toen we zestien waren, kregen we een ruzie die dagen duurde. Amparo bleef maar herhalen dat ze nooit zou trouwen. Ik had het er wel eens met mijn moeder over gehad. Zag Amparo dan niet dat je moest trouwen om kinderen te krijgen? Maar ze beweerde dat ze ook geen kinderen wilde.

‘Dat gaat wel over,’ zei mijn moeder.

Maar het ging niet over. En hoe meer ik zei dat ik wel kinderen wilde en ook een man, hoe vaker ze herhaalde dat ze dat niet wilde. Zeker niet voor zichzelf, en ik merkte dat het haar irriteerde als ik erover begon.

‘Hoe moet het dan met ons?‘ vroeg ze. Dan schetste ik een beeld van twee gezinnen zoals haar ouders en mijn ouders, toen nog enkel mijn moeder, die in elkaars buurt wonen, en kinderen krijgen die samen opgroeien.

Ze schudde haar hoofd.

‘Ik niet,’ zei ze dan.

‘Dan trouw je maar niet,’ zei ik. ‘Maar we wonen dicht bij elkaar en ik kom met mijn kinderen bij jou …’ fantaseerde ik verder.

Ze haalde haar schouders op.

Maar er was een complicatie die ik niet hardop durfde te benoemen. De herder. Stel dat hij haar kwam vragen. Zou ze dan nee zeggen? Stel dat ze ja zei, wat ik me eigenlijk niet kon voorstellen, dan zou ze op de berg gaan wonen en zouden we elkaar veel minder vaak zien. Want ik kon met die kleine kinderen toch niet bij haar op bezoek gaan?

En als zij neen zei, moest ik dan niet met hem trouwen? De gedachte dat hij met een van ons zou trouwen zat in mijn hoofd en was daar niet meer uit te krijgen. Misschien wel juist omdat ik er niet over durfde te praten, begon die gedachte een eigen leven te leiden, werd ze sterker en begon ze zichzelf in details uit te werken. Ik zag al een huwelijk voor me: soms met Amparo, met haar onweergezicht achter een sluier, soms met mij, stralend opkijkend naar mijn man. Meer en meer sloot ik de mogelijkheid dat het Amparo zou zijn uit en zag ik mezelf trouwen, in het dorp, omgeven door lachende mensen die zouden zeggen: ‘Zie je wel! Hij is er eentje komen halen en hij heeft de mooiste en de liefste gekozen.’

DSCN0138

Een gedachte over “2.5. Ruzie”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s