2.7. Vincent

Ik hoor Augustin praten. Mijn broer was hier als eerste uit het dorp. Hij is te voet gekomen, en hij was rood en bezweet toen hij aankwam. De doodsklok van de priorij had geluid en ze wisten dat het voor Michel was. Ze hadden het zien aankomen. Of beter, ze hadden het gehoord van de mensen van het gehucht die naar het dorp kwamen, dat Michel niet meer buitenshuis kwam, dat hij in bed lag, dat hij achteruitging.

Als Augustin niet voor de avond terug was in het dorp, zouden de anderen zich klaarmaken om de volgende dag ook te komen. Ze zouden mijn moeder meebrengen.

Ik gaf Augustin brood en kaas en wat wijn. Hij was moe van de snelle klim en werd slaperig van de wijn. Hij ging wat slapen achter het huis en kwam daarna bij mij zitten om met de mensen die het nodig vonden om wat langer bij ons te blijven, te praten.

Hij is nog steeds aan het woord. Hij praat graag. Ik moet hem spreken. Ik moet hem vragen of hij nieuws heeft van Vincent. Vincent was toch zijn vriend? Ik kan moeilijk geloven dat hij Vincent nooit meer heeft gezien of nooit meer van hem heeft gehoord.

Vincent verdween ook op dag dat Amparo wegging. Ze zijn samen weggegaan, maar dezelfde dag nog zijn hun wegen gescheiden. Dat heeft Vincent jaren geleden aan Augustin gezegd, die ene keer dat Augustin hem nog gezien heeft. Maar Vincent was de dag daarna weer vertrokken en had niet gezegd waarheen. Hij had werk, had hij gezegd, bij een steenhouwer, een marmerbewerker.

Misschien moet ik hem zelf gaan zoeken, Vincent. Misschien zal hij mij iets meer kunnen vertellen. Misschien weet hij wat ze in haar hoofd had, waar ze naartoe wilde. Ze konden het toch goed met elkaar vinden? Dat vertelde Amparo toch, die dag dat ze hier was en we bij de rivier zaten. Ze had Vincent na de dood van haar ouders aangenomen als hulp in de bakkerij. Hij had haar niet alleen geholpen, hij had haar aan het lachen gemaakt met zijn fratsen. Ze hadden samen de bakkerij weer op dreef gekregen.

Die dag dat ze mij dat vertelde. Die dag waaraan ik niet meer wil denken. Niet aan hoe hij afliep. En niet aan Amparo, daar bij de rivier, met haar rare gedachten, dat ze met mij wilde trouwen.

Amparo. Nu begin ik toch weer te huilen. Ik ween om haar. Ik schaam me, ik hoor om mijn man te wenen. Maar mijn gemis, mijn verdriet om haar, verdringt de verontrustende gedachte dat hij er nooit meer zal zijn.

20190107_100520

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s