2.8. Uitzet

Het was weer goed gekomen tussen Amparo en mij. Want het jaar voor mijn huwelijk was er een pijnlijke afstand geweest. Ze kwam nog steeds bij ons aan huis, maar niet als Michel er was. Ze hielp zelfs nog naaien aan mijn uitzet.

We waren niet onmiddellijk aan de uitzet begonnen want mijn moeder had de eerste tijd na mijn jawoord aan Michel grote twijfels. Ze ondervroeg me de dag zelf en ook de volgende dagen. Ze vroeg wat ik voor hem voelde, want zo gauw hij buiten was nadat hij haar mijn hand had gevraagd, had ik ja gezegd. ‘Het is ja’, zei ik mijn moeder. Ze had me verwonderd aangekeken. Ze was verrast en toch ook niet, want ook zij had al die tijd met het gerucht geleefd, ook al had ze het met alle macht genegeerd en ons verboden om erover te praten. Ze wilde zeker zijn dat ik niet toegaf aan een soort onderaardse dwang. Nu bracht ze het gerucht wel ter sprake. Net als Amparo zei ze: ‘Het is niet omdat de mensen een verhaal vertellen, dat jij dat moet waarmaken.’ Ze vond ook dat ik niet geschikt was.

‘Hij zou beter met Amparo trouwen,’ zei ze, maar dan kwam ze terug op haar woorden. ‘Geen van beiden hoeft met hem te trouwen,’ zei ze dan.

‘Maar ik wil met hem trouwen,’ zei ik.

‘Waarom? Waarom toch?’ vroeg mijn moeder.

Ik moest toegeven dat ik dat zelf niet goed wist, of het toch moeilijk onder woorden kon brengen. En het eigenaardige was, dat ze dat leek te begrijpen, want ook zij was tegen de zin van haar ouders met mijn vader getrouwd. Mijn grootouders vonden mijn vader niet goed genoeg. Hij had geen stiel, hadden ze gezegd. Mijn vader had inderdaad geen beroep gehad. Hij had hier en daar geklust en in de fruitpluk gewerkt. Het was mijn moeder die ons gezin van goed eten en van comfort had voorzien, door vele uren per dag te werken en haar klanten aan zich te binden door mooi werk te leveren.

Ze kon dus zeker niet inbrengen dat hij geen stiel had. Hij had zelfs een zekere welstand opgebouwd. Hij scheen een degelijk huis te hebben, hij had het eigendomsrecht op zijn huis en de grond errond verworven en hij had zelfs bosgrond en graasweiden gekocht.

‘Waarom niet een ander meisje uit het dorp of uit een naburig dorp?’ vroeg mijn moeder zich hardop af.

Voor mij was het overduidelijk waarom hij mij had gekozen. Amparo had maar al te goed laten blijken dat ze geen interesse had. Meer dan een keer was ze naar de achterkeuken gevlucht als hij in de winkel kwam. En als ze niet anders kon dan hem te bedienen, omdat haar moeder niet in de buurt was, deed ze dat met zichtbare tegenzin.

Maar ik, ik had hem altijd vriendelijk aangekeken. Ik had hem aangemoedigd. Lange tijd leek het alsof hij geen aandacht schonk aan mijn blikken en mijn glimlach. Maar juist dat, dacht ik, was een teken dat hij aan mij dacht. Hij was verlegen, stelde ik mij voor. Hij wachtte het juiste moment af. Ik was niet zo stevig gebouwd als Amparo en ik was vaker verkouden of ziek dan zij, maar ik had het karakter van mijn moeder. Haar werklust, haar doorzettingsvermogen, haar koppigheid. Ik wist dat hij mijn moeder graag mocht en ik probeerde in alles op haar te gelijken want ik was ervan overtuigd dat hij mij net zo graag mocht, maar dat hij dat uit bescheidenheid niet liet zien.

Soms denk ik dat mijn verlangen naar hem juist daardoor ontstond en aangewakkerd werd: omdat hij mij negeerde.

En toen hij mij kwam vragen, was ik niet eens verrast. Het bevestigde mij in mijn redenering dat hij allang voor mij gekozen had, maar dat zorgvuldig had verborgen om er op het geschikte moment mee voor de dag te komen.

20190420_143141

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s