2.11. Moeder

Mijn broer en Maries man hebben mijn moeder van de kar getild en ze komt als eerste naar binnen. Ze kijkt rond. Sinds die dag voor mijn huwelijk dat we met zijn allen naar Michels huis zijn komen kijken, is ze hier niet meer geweest. Er is niet zoveel veranderd aan het huis. Niet aan de binnenkant. Het is nog steeds een grote ruimte waar gekookt, gegeten, gewerkt en geslapen wordt. Behalve de benedenkamer zijn er geen aparte kamers zoals in het dorpshuis waar mijn moeder woont. Alles wat Michel maakte was robuust. De grote tafel staat nog steeds in het midden van de kamer. De kleine tafel bij het raam. Haar blik gaat van de grote tafel, waarop het brood ligt af te koelen, naar het kleine tafeltje en de mand met naaigerief. Bij de haard staat wat meer huisraad dan toen. De voorraadkast en de linnenkast waren er toen ook nog niet. Ze kijkt naar de kasten, naar de sloten, en de versieringen in het hout alsof ze het nog even wil uitstellen om naar de alkoof te gaan.

Dan kijkt ze naar de bedstee. Het bed is leeg en strak opgemaakt. Naast het bed staat de kist op de grond. Die is al gesloten. Ze hebben hem er vanmorgen in gelegd en het deksel er meteen op gespijkerd. Ik kon het kloppen niet verdragen en ik ben naar buiten gegaan. Daar stond ik mijn handen te wringen en de neiging te onderdrukken om naar binnen te gaan en te schreeuwen dat ze de kist weer open moesten maken en dat ze weg moesten gaan.

Een van de mannen had gezegd dat het nu snel moest gaan. Het zou een warme dag worden.

Toen ze weg waren ging ik op het bed bij de kist zitten. De gedachte dat hij daarin lag was onwezenlijk. Een eikenhouten kist met scherpe hoeken. Ik zette er een stoel voor. Ze moeten er niet te dichtbij komen. Stel dat er iemand valt en zich aan zo’n hoek bezeert. Bij die gedachte begon mijn litteken te jeuken. Ik voelde eraan, klopte met mijn vingertoppen op de strakgespannen huid, tot het jeuken kalmeerde. Toen hoorde ik de boerenkar voor het huis halthouden. De stemmen van mijn familie. Delphine die instructies gaf: ‘Laat mama eerst!’

Pas nadat mijn moeder rondgekeken heeft en haar blik een paar tellen op de kist heeft laten rusten komt ze naar me toe. Ze geeft me twee kussen, ze knijpt in mijn handen. Het valt me plots op dat ze bijna een hoofd kleiner is dan ik. Wanneer is dat gebeurd? Hoe is ze zo kunnen krimpen? Wat gebeurt er met ons mensen? We gaan dood. Als we niet omkomen door een ongeval, door uit een boom te vallen of door een schorpioenenbeet, krimpen we en gaan we vanzelf dood.

Ik kijk naar mijn gekrompen moeder. Ooit was ze groot en mooi. Ze had een grote man en kleine kinderen. Ik was haar oudste dochter. Ik mocht de deur opendoen als er aangebeld werd. Ik mocht de klanten een stoel aanwijzen. Ik mocht erbij zijn als ze haar werk toonde, als ze haar loon ontving. Ik was haar oudste. Haar eerste. Haar liefdeskind. Het kind waarvoor ze van haar ouderlijk huis was weggegaan met Baptiste, mijn vader, een seizoenarbeider. Het kind waarvoor ze getrouwd was en in een dorp was komen wonen, waar de mensen haar aanstaarden omwille van haar lichte huid en haar stadse jurken. Haar kind dat snel sterk en volwassen moest worden, nadat mijn vader was gestorven.

20190214_100349

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s