2.12. Verwijdering

Ergens begon de verwijdering.

In het jaar voor mijn huwelijk, denk ik. Mijn moeder vond het vreemd dat ik voor de herder koos en niet eens twijfelde. Ze wist niet dat ik al maanden op hem had gewacht. Dat mijn hart wild tekeer was gegaan, elke keer als ik onze voordeur voor hem opendeed. Dat ik hem wel eens bij Amparo’s vader op de scheerstoel had zien zitten en dat ik daar verdoken naar was blijven kijken. Ze probeerde me op andere gedachten te brengen, maar er waren geen andere gedachten. In mijn hoofd leefde enkel het vooruitzicht op een huwelijk, een man, kinderen, een leven in een huis op een berg.

Na een tijdje leek ze zich te verzoenen met mijn keuze. Ze ontwierp winterkleren voor mij, ze zag erop toe dat ik een volledige uitzet had.  In dat najaar en die winter zaten we vaak aan tafel te naaien. Overdag schoven we de tafel bij het raam. ’s Avonds schoven we haar dichter bij de kachel en werkten we bij het licht van een olielamp. Bij daglicht deden we het fijne werk: het ineenzetten van blouses en rokken, het borduren op kragen en manchetten. ’s Avonds deden we de zomen. Op de kachel stonden verschillende strijkijzers. De kamer rook naar dampend katoen.

Op de grond stond haar bruidskist, een eikenhouten kist met ijzeren beslag. Daarin legden we de afgewerkte stukken: een paar fijne lakens met geborduurde randen en kussenslopen, handdoeken en zakdoeken, een wollen rok, twee blouses, een wollen vestje en een cape. Een nachthemd met fijne plooitjes aan de hals. Delphine en Marie werkten mee en mochten tussendoor ook voor zichzelf naaien. Pas als de kist gevuld was, naaide mijn moeder jurken voor mijn zussen en een voor zichzelf.

In de lente zouden we er allemaal nieuw uitzien.

Michel had geld voorgeschoten om stoffen, knopen en linten te kopen. Een keer per maand kwam hij op bezoek. Hij at dan het middagmaal mee, zodat we stilaan wenden aan zijn aanwezigheid, aan de gedachte dat hij weldra deel zou uitmaken van onze familie.

In het vroege najaar was hij ons op een dag komen halen, samen met Julien die ons met paard en kar naar de berg bracht. Hij toonde ons zijn huis en vertelde welke verbeteringen hij nog zou aanbrengen, vooraleer ik bij hem zou intrekken. Hij had een houtskoolfornuisje met strijkijzers gekocht zoals hij dat bij ons had gezien.  Aan de achterkant van het huis had hij een hokje gebouwd met een put, zodat ik niet naar het veld moest gaan. We zagen de bedstee, waar nog een echte matras zou komen. De ruwe tafel die hij nog fijn zou opschuren, zodat ik eraan kon naaien. Het was allemaal heel degelijk en ik zag mijn moeder knikken. Het leek haar op een of andere manier gerust te stellen dat er een zeker comfort was. Al bleef ze zich zorgen maken over de eenzaamheid. Anders dan in het dorp lagen de huizen hier ver uit elkaar en er was die dag weinig beweging te zien.

Julien grapte haar ongerustheid weg. ‘Een jong paar heeft genoeg aan elkaar,’ zei hij.

Op de terugweg waren we allemaal stil. Michel was boven gebleven en Julien bracht ons naar huis. Ik hoorde hoe hij met mijn moeder over Michel sprak en hem aanprees alsof het zijn eigen zoon was.

‘Een harde werker, een sterk karakter,’ hoorde ik hem zeggen. ‘Een die weet wat hij wil.’ Dat wisten we allemaal, maar ik zag dat mijn moeder nog steeds niet overtuigd was of ik er goed aan deed om met hem te trouwen.

Tijdens mijn eerste bezoeken aan haar, na mijn huwelijk, luisterde ze naar mijn verhalen, stelde ze vragen. Ik zag haar naar me kijken, zich afvragend of ik er nu goed aan gedaan had. Dat vroeg ik me toen ook af maar ik zou het nooit toegegeven hebben. Wat zich tussen man en vrouw voltrekt was een schok voor mij geweest. Ik vond het toen pijnlijk en vernederend, maar ik was te trots om mijn ontsteltenis daarover te tonen of erover te praten. Ik had me voorgenomen om het te verdragen, om het aan te zien. Was dit niet het huwelijk? Was het bij mijn ouders ook zo geweest? Was het zo bij alle getrouwde mensen?

De verwijdering zette zich door na het ongeluk. Mijn moeder en mijn zussen waren geschokt. Ze waren overtuigd van Michels schuld. Mijn moeder liet me meerdere keren verstaan dat ik naar huis kon komen als ik van hem weg wilde gaan. Ze begreep niet dat haar houding, haar aandringen en haar zichtbaar groeiende afkeer voor Michel mij juist aan hem bond.

En het is nog niet over. Uit de manier waarop ze naar de kist kijkt, spreekt nog steeds afkeuring, wrok en misschien wel haat. Zelfs nu hij dood is. Waar haalt ze het recht vandaan?  Ik ga naast de kist staan, aan zijn zijde. Daar sta ik, als de anderen naar binnen komen.

 

Foto’s:  musée De La Solana, Eus, en Le Castillet, Parpignan

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s