2.13. Zacharie

Ik heb mijn moeder de beste stoel gewezen. De schommelstoel heb ik tegen de muur geschoven en bedekt met een doek. Ik wil niet dat er iemand in gaat zitten. Hij is nog te veel van Michel.

Mijn moeder gaat zitten op de stoel met een rieten zitting en een hoge rugleuning, bij de haard, op de plaats waar ze als oudste van de familie de hele dag zal blijven. Delphine en Marie komen binnen. Als ze mij zien, beginnen ze te huilen. Ik probeer mijn gezicht strak te houden, maar ik voel het vocht opwellen in mijn neus. Ik wil niet met hen wenen. Waarom wenen ze? Ze hebben al die jaren een afkeer van Michel gehad. Ze wantrouwden hem. Ze dachten dat hij mij mishandelde en ze gaven hem er de schuld van dat we geen kinderen kregen. Hij was te oud voor mij geweest toen we trouwden, zeiden ze. Hij had niet zo’n jong meisje mogen nemen. Hij kwam uit een familie van geweldenaars en dronkenlappen. Hij had mij mijn schoonheid en, nog erger, het moederschap ontnomen.

Dat hebben ze een keer gezegd. Ze zeiden het zo vaak onder elkaar dat die woorden hen zelfs ontvielen waar ik bij was. Dan stokten ze. Maar ik wist genoeg. Ik was mijn schoonheid kwijt. Al de moeite die ik gedaan had om te aanvaarden dat gedane dingen geen keer nemen en dat ik er voortaan anders zou uitzien leek even voor niets te zijn geweest. De uren die ik met de handspiegel had doorgebracht, kijkend naar het litteken, zoekend naar een manier om mijn mond strak te krijgen, mijn lippen tuitend en strekkend, en daarna telkens weer de spiegel zuchtend wegleggend. Ik probeerde mijn aandacht te verleggen naar mijn kleren en naar mijn haar. Ik waste en borstelde mijn haar vaker, stak het wat losser op, drapeerde mijn omslagdoek over mijn hoofd. Ik vroeg hulp aan mijn moeder bij het naaien van blouses. De dagen dat ik bij haar op bezoek was, brachten we grotendeels door met naaien voor mij. Ik had meer blouses en rokken dan mijn zussen. Ik had ook meer tijd, want zij hadden kinderen.

Delphines zonen zijn het huis al uit. Alleen de oudste, Zacharie, is meegekomen. Hij heeft zijn vrouw en zijn twee kinderen niet meegebracht. Hij gaat naast mijn moeder op een kruk zitten, hij houdt zijn pet in zijn handen en draait die om en om. Zijn ogen gaan van de kist naar de grond en weer naar de kist.

Zacharie werd kort na alles geboren, na mijn val, na de verdwijning van Amparo. Met zijn komst leidde hij de anderen, mijn moeder, mijn zussen en mijn broer af van de gebeurtenissen en van de verdwijning van Amparo. Ik merkte hoe ze het weggaan van Amparo, die bij ons kind aan huis was geweest, schenen te aanvaarden, te vergeten zelfs. Ik begreep het niet. Amparo had deel uitgemaakt van ons gezin. Ze was niet alleen voor mij, maar ook voor hen een zusje geweest. Ze had bij ons aan tafel gezeten, en ontelbare keren meegegeten. Mijn moeder had haar leren naaien. We hadden samen onze eerste zakdoeken gezoomd en geborduurd. Hoe konden ze haar zo snel vergeten zijn?

De geboorte van Zacharie leidde mij niet af. Integendeel, de vreugde van de anderen om het kind versterkte mijn verdriet. Dat hun aandacht voor mijn geschonden gezicht verslapte vond ik niet erg, maar dat ze zich onwillig toonden om over Amparo te praten, niet wilden meedenken over waar ze heen zou kunnen zijn en hoe we haar zouden kunnen zoeken, ergerde mij.

De geboorte van Zacharie deed wel iets anders met mij. Ik begon naar een kind te verlangen. Ik had er altijd naar verlangd, naar kinderen. Toen ik nog een jong meisje was, stond het al vast voor mij dat ik ooit kinderen zou krijgen. Drie of vier of vijf, misschien. Toen was het een droombeeld geweest: ik zag mij met kinderen aan mijn rokken. Nu was het iets anders. Het was een verlangen dat uit mijn buik kwam. Het zat in mijn lichaam, het groeide in alle richtingen, naar mijn benen en naar mijn borsten. Het wentelde zich in mijn lichaam. Toen ik na het kraambezoek aan Delphine naar de berg stapte, voelde ik het. Het stuwde me voort. Het vertelde me wat ik moest doen om een kind te krijgen. En ik begreep dat het nu aan mij was. Michel had me sinds het ongeluk niet meer aangeraakt. Hoe dichter ik bij ons huis kwam, hoe gespannener ik werd.

DSCN4632

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s