2.16. Onderweg

Het pad werd breder en platter en Michel hield halt in een grote bocht. Hij gaf me opnieuw water. Nadat ik gedronken had, nam hij de waterzak van me over en stak hem weg.

‘Wil je even gaan zitten?’ vroeg hij.

Ik knikte.

Hij wees naar de buitenrand van de bocht.

‘Ga daar eens kijken,’ zei hij.

Het was de zee nog niet, maar het was wonderlijk. Ik had nog nooit ons dorp van bovenaf gezien. Het lag in de diepte, over het dal verspreid alsof iemand er een handvol blokken had gegooid. Ik zag het schooltje eerst, met het pleintje ervoor. Michel wees me de boerderij van Julien, het huisje aan de buitenkant waar hij ooit met zijn vader en broers had gewoond, en dan de straat waar ons huis en dat van de bakker was, wat we maar gedeeltelijk konden zien. Het was verbazend en mooi en tegelijk verdrietig. Want ik moest denken aan mijn moeder en Delphine die huilden en aan Amparo en ik kreeg zelf ook de tranen in mijn ogen.

Michel stond achter mij. Hij stond zo dicht achter mij dat ik de stof van zijn broek tegen mijn rok voelde. Dan voelde ik zijn handen, eerst op mijn armen, dan rond mijn middel. Ik schrok. We hadden elkaar nog nooit aangeraakt. Zijn handen gingen over mijn rug en mijn heupen. Ik wilde me omdraaien, maar hij verstevigde zijn greep. Hij trok me tegen zich aan en ik probeerde me los te maken.

‘Nee’, zei ik, ‘wacht …’

‘Je bent nu mijn vrouw,’ zei hij.

‘Wacht …’, zei ik weer.

Ik wist niet wat hij ging doen, ik wist alleen dat ik dit niet wilde, dat ik uit zijn greep wilde geraken.

Ik probeerde me los te werken met mijn handen en ellebogen, maar ik kon geen kant uit. Hij trok me de tegen de grond en omdat ik geen evenwicht meer had, viel ik letterlijk in zijn armen. Ik voelde hoe hij mijn rokken opschortte en tussen mijn benen tastte en toen ik besefte dat ik geen verweer had, liet ik hem begaan. Hij stootte mij tegen de grond. Er was overal pijn, tussen mijn benen, in mijn rug, waaronder de stenen prikten, in mijn haar, want hij rukte eraan terwijl hij bezig was.

Pas toen hij ophield en zich uit mij terugtrok, begon ik te huilen. Ik trok mijn rokken over mijn geschaafde benen en verborg mijn gezicht in mijn muts.

Na een tijdje trok hij me recht aan mijn arm. Hij gaf me een zakdoek en bood me water aan, ik keerde me van hem af. Hij zei niets. Hij klopte het stof van zijn broek en mijn rok en zette zijn weg voort.

Ik ging hem verdwaasd, wenend, achterna.

Even later stonden we op de kam. Ik was gekalmeerd. Mijn hele lichaam deed pijn, mijn benen, mijn rug, mijn armen. Maar mijn geest was verdoofd.

Hij wenkte mij en wees in de verte. Ik bleef op een afstand en deed alsof ik in de richting keek die hij aanwees.

‘Kijk toch’, zei hij, ‘de zee!’

Ik zag een glinsterende, bijna lichtgevende streep in de verte. En tussen de plaats waar we stonden en de horizon, zag ik hellingen en valleien en onmogelijk kleine hoopjes huizen.

Ik knikte als teken dat ik het zag, maar ik kon onmogelijk iets van vreugde tonen. Mijn ogen brandden, mijn wangen gloeiden, de huid van mijn gezicht stond strak en mijn kaken leken stijf. Ik stond daar en ik dacht aan niets. Ik wachtte tot hij verder zou gaan. Hij leek te begrijpen dat ik wachtte en hij ging me opnieuw voor.

Ik daalde achter hem het pad af naar de andere kant van de heuvel. De mogelijkheid om terug te keren en hard weg te hollen, kwam niet eens bij me op.  Ik liep achter hem aan als een schaap aan een touw.

DSCN3354

 

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s