2.17. Vlinderlavendel

Van die eerste weken in ons huis herinner ik me niet eens zoveel. Ik onderging het. Ik was opgelucht als hij het huis uitging, maar werd al meteen nerveus. Ik was nooit zeker wanneer hij terug zou keren. Ik bracht mijn tijd door met angstig afwachten en overwegen wat ik zou doen: weggaan of blijven.

Toen de eerste geboortes in de schapenstal zich aankondigden, zag ik mijn kans schoon: het werd tijd voor een familiebezoek en hij kon niet meegaan. Ik zag dat hij twijfelde en dat hij zich zorgen maakte. Ook ik was die dag niet zeker of ik nog wel zou terugkomen. Ik nam niets mee naar het dal. Ik dacht aan mijn bruidskoffer en aan de winterkleren die ik al had voor de volgende winter. Het was begin mei, ik had ze nog niet eens gedragen. Ik zou wel iemand vinden die mijn koffer kon ophalen. Daaraan dacht ik toen ik het pad afdaalde.

Mijn moeder was blij me te zien. Ze begon te huilen. Ik huilde ook. Delphine en Marie ook. Toen we onze tranen gedroogd hadden, vroegen ze hoe het daar was.

‘Goed,’ zei ik. ‘Het is daar frisser dan hier, maar het is de hele maand mooi weer geweest.’ Ik vertelde over de bloemen die nu overdadig in bloei stonden, de ciste, de rozemarijn, de tijm, de donkere vlinderlavendel die ik nog het mooiste vond, de boomheide die een paar dagen aan een stuk bedwelmend had geroken, de valeriaan die in alle schakeringen van rood kwam.

Ik vertelde ook over het lammetje dat de dag ervoor geboren was. En dat er die ochtend nog twee in het stro lagen. Hoe breekbaar ze eruit zien, met die dunne pootjes en hoe aandoenlijk het is als ze beginnen te drinken. Michel had voorspeld dat er tegen de avond nog zeker drie ooien zouden bevallen.

Ik vertelde ook over de moderne kachel die er was. Ik kon erop koken. Er zat een waterreservoir aan, net zoals aan de oven van de bakkerij. En als je er ’s avonds een blok wintereik inlegde, smeulde hij ‘s morgens nog.

Ik zei niets over wat er op mijn trouwdag gebeurd was en de dagen daarna. Dat mijn man me niet met rust liet ’s nachts. Dat mijn lichaam voelde alsof het niet meer van mij was. Terwijl ik praatte, lagen mijn handen in mijn schoot en voelde ik de beurse plekken op mijn dijen. Daar zei ik allemaal niets over. Ik zei dat mijn man hard werkte en dat hij soms lang wegbleef.

Mijn moeder vroeg of ik tijd had om te naaien, of ik al iets gemaakt had met de stoffen en het naaigerei dat ze mij had meegegeven. Nee, ik had nog niets gedaan. De dagen waren omgevlogen, loog ik.

Na de middag kwam Amparo erbij zitten. Ze stelde dezelfde vragen en ik vertelde alles opnieuw. Ze vroeg of ze een eindje mee mocht stappen wanneer ik terugkeerde. We zouden dan bij haar thuis langsgaan en ze zou me wat brood en gebak meegeven.

Ik besefte dat ik mijn overweging om niet meer terug te gaan zelf vergeten was. Ik nam afscheid van mijn moeder, mijn zussen en vroeg hen om Augustin, die in de leer was bij een klompenmaker, te groeten en ik volgde Amparo naar de bakkerij. Ze vulde een katoenen zak met vers brood en harde en zachte koeken, en ze sloeg de zak over haar schouder. Ik droeg een mand met een leren waterzak erin en wat gedroogde abrikozen.

Amparo liep mee tot aan het kerkje. Ze wilde nog een stuk mee naar boven gaan, maar ik stuurde haar terug. Ze gaf me de broodzak en twee stroeve kussen als afscheid. Ik bedankte haar nog eens voor het brood, keerde me om en begon aan de klim naar de kam. Toen ik bijna aan de bocht, waar je het dorp kunt zien liggen, kwam, bleef ik staan. Ik keek naar de begroeiing op de steile middenberm. Ik hing de mand over mijn arm, hield met een hand de broodzak over mijn schouder en met mijn andere hand frommelde ik mijn rok samen. Zo baande ik mij een weg door het struikgewas. De bramen schramden mijn enkels, maar ik weigerde rechtsomkeert te maken. Ik sneed de bocht af en het voelde als een soort overwinning toen ik een eind verder op de weg uitkwam. Later als ik naar het dal terugging nam ik hetzelfde sluipweggetje en in de loop van de maanden en jaren werd het een platgelopen pad, dat zichtbaar ook door andere mensen betreden werd.

20180525_201734

2 gedachten over “2.17. Vlinderlavendel”

  1. Prachtig weer, Christine! Tussen de regels door voel je de kracht van Colombes karakter. Echt mooi gedaan.

    Het allereerste woord “Over”, moet dat niet “Van” zijn? Niet zeker.

    liefs Johanna

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s