2.18. Lammertijd

Dat ik helemaal alleen naar het dorp was gegaan en ook nog was teruggekeerd had me goed gedaan. De afgelopen maand had ik me als een gevangene gevoeld. En het ergste was dat ik die gevangenis zelf gezocht had. Dagenlang had ik me zielig en ongelukkig gevoeld, had ik mezelf en de situatie waarin ik terechtgekomen was beklaagd, maar evengoed zag ik mijn aandeel en mijn verantwoordelijkheid daarin. Ik werd heen en weer geslingerd tussen de mogelijkheid om weg te gaan –het was mogelijk, niets is onmogelijk– en de gedachte dat ik hier doorheen moest, dat ik het op zijn minst nog wat tijd moest geven omdat ik mezelf en Michel in deze situatie had gebracht. Door naar het dorp te gaan en terug te keren kreeg ik het gevoel dat ik weer op eigen benen stond, dat ikzelf bepaalde welke stappen ik zette, welke richting dat ook zou worden. Niets was zeker. Ik hield de mogelijkheid om terug naar huis te keren open. Maar ik zou het dag per dag bekijken.

Toen ik aankwam, zat Michel op mij te wachten. Hij was zichtbaar blij dat ik teruggekomen was. Hij toonde me de lammeren die in de loop van de dag geboren waren. Terwijl we in de stal stonden, viel er nog eentje op de stalvloer. Het ontroerde mij, dat jonge leven, die moeder die zich naar dat jong keerde. Daarna gingen we naar binnen en aten we van het verse brood dat Amparo meegegeven had. Het smaakte ons allebei. Het was de eerste keer dat het samen eten ontspannen en zelfs prettig was.

Michel begon over een broodoven die hij wilde bouwen. Na de lammertijd zou hij eraan beginnen, zodat hij tegen de winter klaar zou zijn. En hoewel ik mezelf beloofd had dat ik altijd nog weg kon gaan, keek ik uit naar die oven. Naar het zelf brood bakken, zoals ik het van Amparo had geleerd. Naar mijn eigen oven.

De weken daarop werd ik in beslag genomen door de lammertijd. Michel betrok mij bij het gebeuren in de stal. Hij nam me mee als hij de ooien liet grazen en vroeg mijn hulp als hij ze weer naar de stal bracht. Sommige lammetjes moesten bij het drinken geholpen worden. Als dat het geval was, haalden ze het meestal niet. De melk werd minder, het lammetje zwak en mager, tot het uitgeput op de stalvloer bleef liggen. We bleven zolang mogelijk proberen om moeder en kind bij elkaar te houden, maar het lukte zelden. Gelukkig waren de meesten gezond.

Het samen werken en zorgen bracht ons dichter bij elkaar. In het huis vond ik mijn draai, ik kon het fornuis steeds beter bespelen. Ik kon het vuur temperen en laten oplaaien naar believen. Het gaf me vertrouwen, zelfs een soort machtsgevoel. Michel vond alles wat ik kookte goed. Er was altijd vlees, vers of gedroogd. We hielden een varken en in juli was er vers lamsvlees. Michel leerde me malve, daslook en kraailook herkennen en plukken. Aan het begin van de zomer haalde hij aardappelen en wortelen uit de moestuin.

’s Nachts liet ik hem toe. Soms zelfs overdag. Als ik me niet verzette, deed het minder pijn. Ik onderging het alsof het een prijs was die ik moest betalen voor mijn stommiteit, mijn naïviteit. Ik tilde er minder zwaar aan. Als het voorbij was, zonk ik in slaap en als het overdag gebeurde, ging ik daarna gewoon verder waarmee ik bezig was.

Tegen de tijd dat het volle maan was, ging ik meestal een dag naar het dorp. Ik bleef bij mijn moeder, hoorde van haar de nieuwtjes uit het dorp, vertelde op mijn beurt over het leven daarboven. Na de middag kwam Amparo en tegen de tijd dat de zon begon te temperen, keerde ik terug, begeleid door Amparo, tot aan het kloosterkerkje.

DSCN6303

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s