2.19. Amparo

De wandeling met Amparo werd me dierbaar. Als ik uitkeek naar mijn uitstap naar het dorp, naar het bezoek aan mijn moeder, mijn zussen en mijn broer, keek ik ook al uit naar het weerzien met Amparo en vooral naar onze wandeling van het dorp naar het kerkje. Het werd een soort ritueel. Als we thuis uitgepraat waren geraakt en de zon wat lager stond, ging ik met Amparo mee naar de bakkerij. Daar groette ik haar ouders. Haar vader kwam even kort groeten op zijn gekende stugge manier, haar moeder was altijd hartelijk en stelde vragen. Amparo en haar moeder zochten wat fijn gebak en vers brood uit en gaven het mij mee in een katoenen zak. Tot aan de kerk droeg Amparo de zak over haar linkerschouder. Ik droeg mijn mand met de dingen die mijn moeder me meegegeven had aan de rechterkant. Op het breedste stuk van de weg liepen we arm in arm. Als de weg te smal of te oneffen werd om gearmd te lopen, gleden onze armen uit elkaar en zochten we elkaars hand. Soms hielden we elkaar nog enkel met een vinger vast of haakten we onze pinken in elkaar zoals we dat gedaan hadden toen we klein waren en samen naar school liepen.

We hadden in het huis van mijn moeder al de hele namiddag gepraat en verteld. Ze had een enkele keer nieuws van haar broer Javi, ze las zijn brieven voor. En ik had over de schapen en de lammeren verteld, over het naaiwerk dat ik begonnen was en over de soep die ik maakte van verse tijm en droog brood. Tegen de tijd van mijn terugkeer waren de verhalen op en meestal liepen we zwijgend naast elkaar. We luisterden naar het tsjirpen van de krekels.

Pas als we bij de kloosterkerk stonden, vond ik soms nog iets om te vertellen om het afscheid te rekken. Daarna kusten we elkaar op de wangen, keerden we ons allebei snel om en klom ik naar boven terwijl zij naar beneden liep. Het eerste stuk van de klim ging het moeilijkst. Mijn benen moesten wennen aan het klimmen, mijn hart ook. Mijn gemoed was nog vol. Ik liet Amparo niet graag achter. Ik voelde hoe ook zij mij niet graag liet gaan. Ik voelde me verantwoordelijk voor haar verdriet. Ik was weggegaan en zij was gebleven. Mijn hele kindertijd en jeugd had ik mijn leven met haar gedeeld. We deden alles samen, we wisten alles van elkaar. Alleen in het jaar voor mijn huwelijk was er afstand tussen ons ontstaan. Ik besefte hoeveel verdriet ik haar had gedaan en ik wilde dat goed maken in die korte wandeling, dat stille samenzijn, de kleine aanrakingen tussen onze armen, handen en vingers. Ik kuste haar wangen met liefde en ik hoopte dat ze voelde dat het niet zomaar twee kussen waren, zoals ik die aan mijn moeder, mijn zussen en aan haar moeder gaf. Ik gaf mijn kussen met gesloten ogen en liet mijn lippen iets langer op haar wang. Soms zette ik mijn mand neer en sloot ik haar een ogenblik in mijn armen. Ze liet het toe, maar zij omarmde mij niet. Ik vergaf het haar.

Die laatste ogenblikken met haar moest ik op de helling van me afschudden. Dan kwam ik bij het sluipweggetje dat ik zelf gebaand had en dat de grote bocht afsneed. En aan het eind van dat smalle pad, als ik weer op het karrenspoor kwam, was ik klaar voor mijn terugkeer en keek ik er zelfs naar uit. De berg had mij voor zich gewonnen. Het leven in dat huis, met mijn man en de dieren was niet slecht. Ik hield van de stilte en van het lawaai. Het lawaai van de vogels, ’s morgens vroeg als de nacht overging in de dag. Het krassen van de kraaien, het geblaf van de vossen en nog het meest van het gemekker van de lammeren als hun moeders terugkeerden van de graasweide. Ik hield ook van de stilte en ik vond het niet erg dat mijn man niet erg spraakzaam was. We begrepen elkaar zonder spreken. Ik gaf hem wat hij wilde en hij gaf me wat hij dacht dat me van pas kon komen: hout voor het fornuis, kruiden die hij meebracht als hij de kudde had laten grazen, groenten uit de tuin, een betere stoel voor bij de naaitafel, zelfs een fijne schaar die hij had gekocht van een voorbijtrekkende handelaar.

Eind juli ging hij naar het dorp om de lammeren te verkopen en ik ging met hem mee. Hij liet zich zoals gewoonlijk scheren bij Amparo’s vader en maakte van de gelegenheid gebruik om advies te vragen over de broodoven die hij aan ons huis wilde bouwen.

Amparo’s ouders waren een en al belangstelling. Ze leken Michel in hun hart te sluiten, alsof hij hun schoonzoon was. In zekere zin was ik ook wel een beetje hun dochter.

Michel nodigde hen uit om naar de oven te komen kijken als hij af zou zijn. Tegen september, dacht hij. Maar voor die tijd kreeg Amparo’s vader een aanval, sloeg tegen de grond en was op slag dood. Het was alsof ik voor de tweede keer mijn vader verloor. Ook Michel was aangeslagen. We kregen het nieuws van Julien te horen. Hij was te paard naar ons huis gekomen. We gingen onmiddellijk naar het dal. Michel waakte die nacht samen met een paar andere mannen van het dorp bij het lichaam. De volgende dag werd Arturo begraven.

Een paar weken later stierf ook Amparo’s moeder. Ook bij haar ging Michel waken. Arturo en Maria Luisa waren nooit naar ons toegekomen. Ik hoopte dat Amparo wel eens op bezoek zou willen komen.

 

20190504_122720

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s