2.21. Genezen

Mijn tandvlees groeide dicht, mijn wond genas, mijn lichaam sterkte aan. Mijn geest genas veel trager. Michel begreep dat ik tijd nodig had, hij aanvaardde dat ik niets deed, dat ik het liefst van al op bed lag of op een stoel bij het raam zat. Hij deed alles wat ik voor het ongeluk had gedaan, tot ik er genoeg van kreeg en het werk weer overnam. Ik eigende mij de haard weer toe. Ik stookte. Het vuur troostte mij. Het luisterde naar mij, het deed wat ik vroeg. Michel droeg takken aan, maar na een tijdje ging ik zelf weer sprokkelen.

Ik genas. Het ging traag, maar juist de grootste hulp bij het genezen was dat het traag mocht gaan. De wond sloot zich, maar er bleef een brede gleuf van mijn mondhoek naar mijn neus. Ik voelde er af en toe aan. Als Michel niet in de buurt was, keek ik soms in de handspiegel die ik in de linnenkast, tussen mijn opgevouwen hemdjes, bewaarde.

Ik kan me niet meer herinneren wat ik voelde. Ik denk dat ik wekenlang niets voelde, geen woede, geen wrok, zelfs geen verdriet. Ik onderging de dagen en de nachten. ’s Nachts lag Michel naast mij, de eerste uren meestal op zijn rug, zoals ik. We lagen naast elkaar. Hij raakte me niet meer aan. Maar omdat het bed smal was en wat naar het midden helde, raakten onze armen elkaar. Het stoorde me niet. Ik begon het zelfs aangenaam te vinden. We spraken weinig, maar het leek alsof we door de warmte van onze bovenarmen met elkaar praatten. Alsof we elkaar troostten en vertelden dat het wel goed zou komen.

Op een dag voelde ik me goed genoeg om naar het dorp te gaan. Sterk genoeg om de afdaling te doen en daarna de onvermijdelijke klim. Michel zou meegaan. Ik voelde me ook sterk genoeg om mijn moeder, mijn zussen, mijn broer en Amparo onder ogen te komen. Ik had me voorbereid, mezelf ingeprent wat ik zou zeggen. Ik kon Michel de schuld niet geven. Het was een ongeluk geweest. Ik was over de losse zoom van mijn rok gestruikeld. Ik zou mezelf de schuld geven. Ik was onachtzaam en lui geweest. Ik had mijn rok moeten verstellen voor ik hem aantrok. Het zal me leren. Van nu af aan zal ik altijd mijn zomen nakijken en meteen bijnaaien als dat nodig is.

Met dat verhaal in mijn hoofd ging ik naar beneden. Ze geloofden me niet, ik zag het aan hun gezichten. Vooral Amparo niet. Het verbaasde me niet dat ze me niet geloofden, ik ben een slechte leugenaar. Ik ben toen met ruzie vertrokken. Dat spijt me nog steeds, maar ik kreeg het niet verkocht, mijn verhaal. En de waarheid, dat Michel me geslagen had, niet eens geslagen, zijn hand was naar me uitgeschoten, kreeg ik niet over mijn lippen.

Ik was genoeg aangesterkt om in de late namiddag, samen met Michel de tocht naar het gehucht te doen en ik was ook sterk genoeg om het ongeloof en de verontwaardiging, de boosheid zelfs, die ik bij hen voelde, mee te dragen. Met de tijd zou het wel beteren, dacht ik.

20180525_202656

Een gedachte over “2.21. Genezen”

  1. “Het ging traag, maar juist de grootste hulp bij het genezen was dat het traag mocht gaan.”
    Wat een mooie zin! En oh zo waar…
    En nu ga ik verder lezen 🙂 (dat is het voordeel van even geen tijd te hebben om bij te lezen: dat er meer te lezen is 🙂

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s