2.22. Marmer

Michel is op het kleine kerkhof begraven. Met een paar stokken hebben ze een voorlopig kruis op het graf geplaatst. Dat vertelt Zacharie mij. Delphine en Marie zitten naast mijn moeder, drinken koude koffie en eten van het brood dat nog op de tafel ligt. Ik zet schapenkaas en melk op tafel. Veel meer heb ik niet te bieden. Ik heb er helemaal niet aan gedacht dat ze nog moesten eten voor ze naar het dorp zouden terugkeren.

Ik hoop dat mijn moeder niet weer begint te zeuren dat ik bij haar moet komen wonen, maar ze wendt zich tot Zacharie en hoort hem uit over de begrafenis. Wat heeft de prior gezegd? Was het allemaal Latijn of heeft hij ook iets verstaanbaars gezegd?

Mijn zussen hebben het over de plaats op het kerkhof waar Michel nu ligt en over de andere graven die ze gezien hebben, dat van het kind met de schorpioenenbeet en dat van de man die zich ophing. Zijn graf ligt buiten het kerkhof, maar wel vlak naast de kerkhofmuur.

Augustin is zwijgzaam. Hij heeft gisteren en vandaag veel met mijn buren gepraat en is nu stilgevallen. Ik zou hem willen spreken. Ik probeer een manier te vinden om even met hem alleen te zijn. Ik wil hem vragen of hij iets van Vincent heeft gehoord, of hij soms weet waar ik hem zou kunnen vinden. Hij en Vincent waren vroeger bevriend geweest. Een tijdje onafscheidelijk zelfs, totdat Augustin belangstelling voor meisjes kreeg.  Toen Vincent na de dood van Amparo’s ouders in de bakkerij ging werken, gingen ze weer wat meer met elkaar om. Amparo vertelde me dat Augustin en Vincent elkaars baard schoren en elkaars haar knipten in de scheerkamer van haar vader. Maar dat duurde niet lang, want Vincent verdween samen met Amparo.  Augustin heeft Vincent nog een keer teruggezien. Maar Vincent vertelde toen dat Amparo de dag na hun vertrek al verder getrokken was. Hijzelf was in de streek gebleven en had ander werk gevonden.

Ik wil met Augustin spreken. De anderen moeten dit niet horen. Ik wil niet dat ze weten dat ik vandaag, op de dag van de begrafenis van mijn man, vooral aan Amparo denk. ‘Ze is al meer dan dertig jaar weg,’ zou mijn moeder, die alle gebeurtenissen en jaartallen in een boek opschrijft, kunnen zeggen. ‘Wie weet is ze nog in leven,’ zou ze er in haar humeurige bui aan toe kunnen voegen.

‘Ze zijn al zolang weg,’ zegt ook Augustin, nadat ik hem met een smoes naar de achtertuin heb gelokt. En nee, van Vincent  heeft hij niets meer gehoord. Of toch wel, dat hij in het marmer werkt.

‘Waar is dat dan, dat marmer?’, vraag ik.

Augustin haalt zijn schouders op.

‘Er zijn verschillende groeves in de streek,’ zegt hij.  Er wordt roze marmer gedolven in het gebergte, blauwe in de richting van de kust en er is een groeve van witte marmer in de richting van de grens met Spanje. Hij noemt een paar plaatsnamen, die ik me probeer in te prenten. Straks als ze weg zijn, zal ik ze opschrijven.

Hij weet niet in welke streek Vincent zou kunnen werken.

Hij weet eigenlijk niets, denk ik ongeduldig.

Maar als ik Vincent kon vinden, dan zou hij me misschien iets over Amparo kunnen vertellen. Wat haar plannen waren. Was ze in Spanje haar broers gaan opzoeken?

Als ze weg zijn, ruim ik het huis op. De stoel waarop mijn moeder heeft gezeten schuif ik naar de muur. Michels schommelstoel mag weer op zijn plaats bij het fornuis. Ik ga er even inzitten, schommel een paar minuten, en sta dan weer op. Ik drapeer mijn omslagdoek over mijn hoofd. Uit gewoonte trek ik de ene kant over een deel van mijn gezicht, zodat mijn litteken bedekt is. Dan wandel ik naar het kerkhof. Het is niet ver.

‘Vannacht slapen we apart,’ zeg ik tegen de hoop omgewoelde aarde en het houten kruis. Ik moet huilen. Ik ween zoals toen ik bij hem zat, nadat ik hem gewassen en gekleed had. Mijn schouders wenen. Mijn hoofd, mijn gezicht. Mijn kaken verkrampen. De tranen stromen uit mijn ogen en mijn neus. Ik dep mijn tranen met een grote zakdoek van Michel en trek mijn omslagdoek nog meer voor mijn gezicht.

Ik probeer te stoppen met huilen, schik mijn sjaal, keer me om en loop naar de uitgang van het kerkhof.  Bij de poort staat de weduwe van de houtskoolbrander.

‘Niene,’ zegt ze, ‘meisje toch.’

Ze loopt een paar meter met me mee en gaat dan naar haar huis dat nu het huis van haar zoon is. In het schemer klim ik naar het huis van Michel, dat nu van mij is.

20190429_174426

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s