2.23. Bezoek

De schrille roep van het bosuilvrouwtje: kewiek kewiek… Haar mannetje zingt haar toe: oeoe… en dan oe oe oe e e e. Michel kon dat goed imiteren. Het lijkt of de uilen harder roepen dan anders. Of misschien is het hier nu stiller in huis. Ik ben voor de eerste keer in mijn leven helemaal alleen. Ik wil niet slapen. Ik wil denken. Ik wil mij herinneren.

Het was een ongeluk. Het was niet zijn schuld. Misschien was het wel mijn schuld. Maar schuld verandert niets aan wat er gebeurde en aan de gevolgen. Wat voor zin heeft het om iemand de schuld te geven van iets dat niet meer teruggedraaid kan worden? En als iemand iets doet, doet hij dat niet zonder reden. Er gaat altijd iets aan vooraf. Een kus, een klap, een woord kan het verloop van de dingen veranderen.

Het gebeurde op de dag dat Amparo naar de berg kwam. Het was een nazomerse zondag. Ik was het die Amparo voorstelde om naar ons te komen. Daar was het begonnen. Maar zelfs daar niet. Het was eerder begonnen. Er was de dood van Maria Luisa, Amparo’s moeder. Daarvoor de dood van Arturo, haar vader. Een paar maanden ervoor mijn huwelijk. De afstand, de koelheid zelfs, tussen mij en Amparo in het jaar voor mijn huwelijk. En lang daarvoor de dood van mijn vader, en die nacht dat ik bij Amparo mocht slapen en zij me in haar armen hield en mijn tranen droogde. En de spelletjes die we als kind speelden, bij haar thuis op de warme vloer in de bakkerij, met sliertjes deeg. Of bij ons thuis aan de grote tafel, met lapjes stof en draadjes. Ik ga steeds verder terug, maar ik stop in onze kindertijd. Ik wil het even niet meer weten. Waar het begonnen is. Bij onze geboorte. Want dan zou ik de schuld bij Michel leggen. Bij zijn belachelijke voornemen om met een van ons te trouwen. Het zou niet eerlijk zijn, want ook daar zijn weer andere gebeurtenissen aan vooraf gegaan.

Ik keer terug naar die dag dat Amparo naar onze nieuwe broodoven zou komen kijken. Michel had hem aan ons huis gebouwd: een ronde uitstulping in de zijgevel met een dakje van platte stenen, zoals hij dat bij de huizen van de houtskoolbranders gezien en bestudeerd had.

Ik had erg met Amparo te doen. Ze werkte hard en het leek erop dat ze de plotse dood van haar vader en kort daarop het sterven van haar moeder achter zich wilde laten door zo hard mogelijk te werken. Ik wilde haar wat afleiden. Ik wilde haar gewoon een mooie dag geven. Ik zou op een zondagochtend vroeg naar het dal komen, mijn moeder gaan groeten en daarna Amparo ophalen. We zouden samen de berg opgaan. Nog voor de middag konden we boven zijn. Ik was het inmiddels gewend om die klim te doen en Amparo was sterk van zichzelf. Ik zou haar het huis en het gehucht laten zien en als het mooi weer was, konden we wat bij de rivier gaan zitten en daar broodjes eten. In de late namiddag kon ze dan terugkeren, ik zou nog een eindje met haar meegaan. Misschien wel tot aan de priorij.

Amparo stemde aarzelend in. Ze zou aan haar nieuwe hulp, Vincent, vragen om die dag in de bakkerij te blijven want ze liet het huis niet graag onbewaakt. We deden het zoals ik het voorgesteld had.

Zoals ik verwacht had was de klim voor Amparo klein bier. Ze had een kracht in zich die ik haar soms benijdde. Ze ging me voor en ik moest mijn best doen om haar bij te houden. Ik liep achter haar aan en keek naar haar brede schouders en de dikke zwarte vlecht die op haar rug heen en weer sloeg. Toen we bijna aan de grote bocht kwamen, toonde ik haar het verkorte pad dat ik zelf gebaand had. Ik had geen zin om in de grote bocht met haar op het dorp neer te kijken. Ik meed die plek.

Toen we boven waren, was Michel nog in huis. Hij liet haar het huis en de oven zien. Hoewel hij weinig uitleg gaf, was hij zichtbaar trots. Amparo was al even zuinig met woorden, maar knikte goedkeurend bij de oven. Ik toonde haar het brood dat ik de dag tevoren gebakken had. Amparo had zoete en hartige gebakjes meegebracht die haar  hulp, Vincent, speciaal voor ons had gemaakt. We maakten een mand klaar met meer dan we konden opeten en we zouden naar de rivier gaan. Het was er warm genoeg voor. Michel nam voor zichzelf wat eten mee en zou met de schapen naar de zomerweide gaan. Hij leek aan te voelen dat het geen zin had om de dag met zijn drieën door te brengen. Hij en Amparo hadden elkaar weinig te zeggen.

_MG_0292

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s