2.24. Rivier

Ik ging Amparo voor langs het kronkelige pad dat naar het breedste deel van de rivier leidde. Er was niemand daar. Sinds de mannen in het gehucht een wasplaats hadden gebouwd, gingen de vrouwen geen kleren meer wassen in de rivier. Een enkele keer, als het heel warm was, ging er iemand baden.

We gingen op een plek zitten waar we met onze voeten in het water konden. Het deed goed, het koele water aan onze verhitte voeten. En toen we gewend waren aan de koude rond onze enkels, gingen we wat verder. We trokken onze rokken op en probeerden ze vast te knopen rond ons middel. Op de bodem lagen gladde keien en de stroming was onstuimig zodat we ons aan uitstekende rotsblokken en aan elkaar vasthielden. Zo stonden we daar, onszelf in evenwicht houdend, toen ik merkte dat Amparo huilde. Ze hield zich met een hand aan me vast en met haar andere hand schepte ze water en plensde het in haar gezicht, maar de tranen bleven stromen, ik zag hoe haar ogen rood werden en ik voelde haar schouders schokken. Ik ging wat dichter bij haar staan en trok haar voorzichtig tegen me aan. Ze liet het een paar tellen toe, maakte zich los en waadde naar de oever. Ik volgde haar.

Ze ging zitten, droogde haar gezicht met de handdoek waarmee we de broodjes hadden bedekt en deed haar best om niet meer te snikken. Ik dacht dat het verdriet om haar ouders opeens in alle hevigheid teruggekomen was, en toen ik ernaar vroeg knikte ze en ze begon weer te huilen.

‘Het is meer dan dat,’ zei ze dan. En toen kwam het er in snokken uit.

‘Het is… dat jij hier woont… met Michel. Ik zie dat het je bevalt. En ik… ik woon beneden… Ik mis je.’

Ik wilde mijn arm weer om haar schouders leggen, maar ze weerde me af.

‘Ik had… was ik maar een man… ,’ zei ze, ‘dan was ik met jou getrouwd.’

‘Dan was ik ook met jou getrouwd,’ zei ik fel. Het was de eerste keer dat ik me zoiets voorstelde en ik wist op dat moment wel zeker dat ik met haar zou getrouwd zijn als ze een man was geweest. Hoewel, dan waren we misschien niet met elkaar opgegroeid. En onze kindertijd samen zou ik voor geen geld gemist willen hebben. Ik vroeg me af of ik wel zou willen dat Amparo een man was.

‘Maar ik zou je niet als man willen,’ zei ik, ‘ik zou met je trouwen als vrouwen met elkaar konden trouwen.’

Bij die gedachte moest ik lachen, ik zag ons al samen in het kerkje staan, elk met een tuiltje veldbloemen in onze handen. Amparo kon er ook om lachen. Ze kalmeerde en we zwegen een tijdje. Dan begon Amparo opnieuw te lachen. Ze zat op de grond in kleermakerszit, haar rok over haar knieën gespreid, zodat de boord kon drogen. Ze boog wat naar voor en haar schouders schokten opnieuw, nu van het lachen. Het was aanstekelijk en ik begon ook weer. Ik liet me vallen en zij ook. We lagen op onze rug, we rolden heen en weer en gierden het uit en er was niets dat ik me kon herinneren dat me ooit zo goed had gedaan.

Toen we uitgelachen waren, gingen we weer rechtop zitten. Ik vroeg naar Vincent en ze begon nu opgetogen te vertellen. Vincent was een geschenk uit de hemel, zei ze, en ze vertelde over zijn experimenten in de bakkerij en de keuken, en zijn fratsen in het kapsalon van haar vader. Hij had zelfs al een paar klanten en hij mocht af en toe de haartjes op haar bovenlip scheren. Ze keerde haar gezicht naar mij en trok met twee vingers haar bovenlip glad. Ik kwam wat dichterbij om goed te kunnen zien en toen was er opeens een kus. Ik had hem niet zien aankomen, maar hij kwam net zo goed van mij als van haar. We bewogen naar elkaar toe, drukten onze lippen op elkaar en bleven heel even zo zitten. We lieten weer los, omhelsden elkaar weer, onze wangen tegen elkaar. Haar hoofd was nog warm van het huilen. Ik legde mijn gezicht in haar hals en ik voelde haar bloed kloppen.

‘Ik zal er altijd voor je zijn,’ zei ik en ik hoorde zelf de ontoereikendheid van mijn woorden. Ze antwoordde niet en maakte zich voorzichtig los uit mijn omarming. Ze stond recht en begon het stof van haar rok te kloppen.

Toen we bij het huis kwamen, zat Michel op de bank naast het huis. Ik vroeg me af hoe lang hij daar al zat.

‘Jullie rokken zijn vuil,’ zei hij. Hij wees naar de zomen van onze rokken die nog nat waren en onderweg het stof hadden aangetrokken.

‘Hebben jullie gebaad?’, vroeg hij.

‘Alleen onze voeten,’ antwoordde ik.

Ik vond het een rare vraag. Langs welke weg was hij naar beneden gekomen, vroeg ik me af. Langs de weg die op de rivier uitkeek? Had hij ons vandaar kunnen zien?

 

‘Geef Amparo wat schapenkaas mee,’ zei hij. Hij had al een stuk harde en ook een pot met verse kaas klaargezet. Het klonk alsof hij vond dat ze nu maar moest gaan.

Amparo hoorde dat blijkbaar ook en maakte aanstalten om te vertrekken. Ik zou meegaan, maar Amparo zei dat ze het wel zou vinden. Ik geloofde haar, maar ik was toch liever nog een eindje meegelopen. Ze keerde zich een paar keer om en zwaaide en ik zwaaide terug, en mijn hart brak.

Nadat ik Amparo uitgezwaaid had, had ik me omgedraaid en was ik naar binnengekomen. Michel stond daar, hij had door de openstaande deur naar ons afscheid gekeken en hij had iets gezien dat hij niet kende. Dat denk ik. Nog erger, hij zag iets waarvan hij wist dat het tussen hem en mij niet bestond en nooit zou bestaan.

_MG_0117

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s