2.25. Gewond

De klap was niet echt een klap. Het was een ongeluk. Het was een beweging, een uitschieten van een hand, uit onmacht en woede. Meer uit onmacht, denk ik.

Er moet iets in hem in opstand zijn gekomen tegen wat hij gezien had, want zijn hand schoot uit en sloeg in mijn richting. Het was geen harde klap, hij maakte niet eens geluid. Zijn hand schampte langs mijn wang en mijn oor, maar ik schrok zo hard dat ik mijn evenwicht verloor, om mijn as tolde en tegen de grond sloeg. In mijn val raakte ik met mijn gezicht de hoek van mijn bruidskoffer. Ik voelde meteen een scherpe pijn in mijn neus en in mijn mondhoek. Ik lag een tel op de koude vloer en probeerde recht te komen. Ik slaagde erin om op mijn knieën te gaan zitten. Het bloed spoot uit mijn neus. Ik bracht mijn hand naar mijn gezicht en het bloed stroomde over mijn hand in de mouw van mijn witte blouse. Ik keek op naar Michel. Hij stond lijkbleek en verwilderd naar mij te kijken en kwam dan plots in beweging. Hij haalde doeken en liet ze mij tegen mijn mond houden. Hij hielp me overeind en trok een stoel bij zodat ik kon gaan zitten. Dan trok hij de met bloed doortrokken doeken weg en bekeek de wond. Ik hoestte en kreunde en spuwde iets hards uit. Een tand, en dan nog een. Ik duizelde en dreigde flauw te vallen. Hij hielp me naar de bedstee en deed me liggen. Hij gaf me nieuwe doeken en zei me dat ik ze tegen mijn mond moest blijven houden.

‘Ik ga de pater halen’, zei hij. Ik schudde mijn hoofd en probeerde hem met een hand te grijpen, maar hij liep naar buiten. Even later kwam de vrouw van de houtskoolbrander binnen. Michel had haar gevraagd om bij mij te blijven tot hij terug was. Ze kwam naast mij zitten, maar kon weinig doen. Pas toen ik haar geschrokken gezicht zag begon ik te huilen. Mijn tranen mengden zich met mijn bloed, de wond begon te prikken en het snikken gaf me nog meer pijn. De vrouw legde haar hand op mijn voorhoofd en probeerde me te kalmeren.

‘De pater komt zo,’ zei ze en dat bleef ze de hele tijd herhalen.

De pater kwam en verzorgde de wond. Ik verloor een derde tand. Die nacht kreeg ik koorts en ik begon ook nog uit mijn buik te bloeden. Ik voelde het bloed warm en kleverig langs mijn benen sijpelen. Vaag hoorde en voelde ik Michel met water en doeken in de weer. Hij kwam niet naast mij liggen, maar sliep een paar uur op zijn herdersveldbed dat hij naast de bedstee opengevouwen had.

De volgende dag vroeg hij of hij mijn moeder zou laten halen. Ik wilde het niet. Ik wilde niemand zien. En ik wilde vooral dat hij me met rust liet. De hele week bleef ik in bed. Ik kon en wilde niet eten. Michel druppelde water en ook schapenmelk in mijn mond langs de kant van mijn onbeschadigde mondhoek. Ik kon zijn aanwezigheid nauwelijks verdragen, maar mijn dorst was groter dan mijn afkeer en ik liet het toe.

Het was geen woede, het was iets anders wat ik voelde. Een soort permanente verbijstering en ook afschuw. Ik had pijn en honger, en ook krampen in mijn buik, en het drong langzaam tot me door dat de wond een litteken zou blijven en nog erger dat ik drie tanden kwijt was.

Soms begon ik onbedaarlijk te huilen, maar ik slaagde er meestal in om mezelf snel te kalmeren, want het huilen deed te veel pijn.

Na een paar dagen, leek er zich een vlies op de wond te hebben gevormd dat stilaan droogde. Ik kon koud water en melk drinken en met een lepel wat verse kaas eten. Michel week nauwelijks van mijn zijde. Ik verdroeg zijn aanwezigheid want als hij even weg was sloeg de ontreddering nog meer toe.

Toen ik me beter voelde, kwam ik uit bed, zat ik overdag op een stoel bij de kachel als het fris was, of gehuld in een deken buiten op de bank als het zacht was. Michel waste de lakens en toen ik ’s avonds in een verschoond bed kon gaan liggen, schoof ik op en gaf ik aan dat hij niet langer op het veldbed hoefde te slapen. Die nacht voelde ik hem huilen naast mij. Bij mij was het huilen over, maar ik kon hem niet troosten. Ik lag naast hem en keek in het donker en ik dacht aan niets.

 

20190402_102035

 

 

2 gedachten over “2.25. Gewond”

  1. “Die nacht voelde ik hem huilen naast mij. Bij mij was het huilen over, maar ik kon hem niet troosten.”
    Pfoe, dit komt binnen. Omdat het bij ons soms ook zo is. Hij huilen over wat hij gedaan heeft (onze relatie verbreken voor een andere vrouw), ik ergens blij dat hij triest is (want teken dat hij echt wel meent dat hij er verdriet over heeft), ergens kwaad (want had het dan toch verdorie niet gedaan), ergens hulpeloos (want hoe kan ik nu iemand troosten die huilt om de pijn waar ik ook om gehuild heb / soms nog om huil)? Ik heb nog maar zelden een zin zo goed weten vatten hoe het gaat, op die momenten.

    Like

  2. Héhé, Petit Requin, daar moest ik een nachtje over laten gaan. Dank je wel voor je openhartige gedachte, die mij ook weer aan het denken zette. Ik denk dat wonden bij het leven horen. We worden allemaal wel eens gewond, soms meerdere keren, en we brengen allemaal wonden toe. Het is inderdaad moeilijk om iemand te troosten die jou pijn heeft gedaan, zelfs al heeft hij of zij daar spijt van en verdriet over. Daarom is het werken aan vergiffenis iets van lange adem, duurt het soms een heel leven.
    Ik ben blij dat dit belangrijke moment in Colombes genezingsproces bij jou is overgekomen zoals ik het wilde tonen. Dank je wel om dat te laten weten. Liefs.

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s