2.28. Gemis

Het lijkt nu op die eerste weken na mijn val. Ik lig in bed, ik zit aan het raam of ik zit in de schommelstoel. Ik voel niets. Ik heb geen honger, geen dorst. Ik ben niet moe, ik kan niet slapen. Ik huil niet meer, ik zit wat voor me uit te staren. Ik voel geen verdriet, geen boosheid, geen verlangen, niets. Het niets voelen is comfortabel. Ik geef eraan toe. Ik blijf zoveel mogelijk binnenshuis, waar ik me omhul met stilte. Ik heb alle schapen naar de zomerweide gebracht. Ook de schapen die nog moeten lammeren. Ze zullen het wel redden. Ik ben er nu niet. Ik geef mezelf de tijd om in het niets te zijn. Maar door de schapen weg te brengen heb ik een limiet op dit nietsdoen geplaatst. Niet langer dan een week. Dan moet ik ze op zijn minst gaan bezoeken en als het nodig is er een paar terug naar beneden brengen.

En omdat het zo lijkt op toen, na die val, dwalen mijn gedachten er soms heen. Naar die tijd. Ik herinner me de scherpe pijn aan mijn mondhoek. Hoe de wonde telkens weer openging als ik probeerde te eten of te praten. Hoe Michel dan met weegbreeblaadjes aankwam, die versneed en plette en dan op de wond legde. En hoe ik dat stil onderging. Hoe hij voortdurend rond mij hing, zich afvragend wat hij voor mij kon doen. En ik hem wegwuifde en ‘laat mij met rust’ prevelde.

Wat waren we toen nog vreemden voor elkaar. Wat was ik jong en weerloos. Wat was hij zorgend. Wat was hij knap. Dat kon ik toen niet zien. Maar dat was hij voor ons trouwen wel en dat zie ik nu weer. Van hieruit. Michel was een mooie man. Hij had het donkerbruine, bijna zwarte haar, dat de meeste mensen hebben, een lichtbruine huid die in de zomer snel donkerder werd. Hij was niet groot, maar hij had brede schouders, een stevig lichaam.

Dat lichaam leerde ik pas kennen toen ik een kind wilde. En toen er maar geen kind kwam, bleven we verkennen. Die eerste winter kropen we ‘s nachts dicht bij elkaar, wreven we ons warm aan elkaar, strengelden we ons rond elkaar, onder de dekens, tussen de linnen lakens, met onze nachthemden nog aan. Toen na de winter de dagen begonnen te lengen en het warmer werd, gooiden we de dekens van ons af, schoven we onze nachthemden naar boven en gaven we ons meer en meer aan elkaar bloot. Tot we naakt op het bed lagen, tot we naakt in het huis durfden rond te lopen en we ons zelfs uitkleedden als we buiten waren en ons alleen waanden.

Die Michel mis ik nu. Mijn minnaar. Het mocht jaren duren. Dan werd het minder. Eerst bij hem. Bij hem sleet het verlangen. Bij mij nog niet. Ik miste het toen het minder werd en tenslotte wegbleef. Maar ook dat gemis leerde ik te aanvaarden. Ik had het geleerd om te missen. Ik kon missen als de beste.

Zoals ik nu ook kan missen. Na dagen van gevoelloosheid begint het gemis door mijn lichaam te trekken als een oude bekende. O, is het daar weer? Goed, ga je gang. Het hangt in mijn schouders, vouwt zich rond mijn hart en strekt zich uit naar mijn buik en mijn benen. Als ik dat voel, komen de tranen weer.

En het wordt groter, breidt zich uit naar oud gemis. Naar lang geleden, naar het eerste gemis: mijn vader. Ik herinner me nog weinig van hem. Maar die weinige herinneringen zijn sterk. Het zijn herinneringen aan aanrakingen en geuren. Aan het schootje zitten, mijn hoofd tegen zijn schouder, mijn arm tegen zijn borst. De geur van zijn hoofd, een zoete, wat weeïge geur. De rokerige geur van zijn kleren. Zijn eeltige vingers die over mijn wang streken.

En dan die dag dat ze hem naar huis brachten. Hoe hij daar zo bleek op het bed lag. Slechts in staat om zijn vingers te bewegen, meer niet. Ik begreep dat bewegen van die vingers niet. Ik begreep niet dat hij mij wenkte. Ik keek er enkel naar, in plaats van ze aan te raken. Spijt, voel ik nu. Dat ik mijn vader niet meer aangeraakt heb. Want daarna mocht het niet meer.

 

Die nacht bleven mijn zusjes en ik bij de bakkerin. Delphine en Marie sliepen in het bed van Amparo’s broers die een paar maanden eerder van huis waren weggelopen en ik mocht bij Amparo in bed slapen. Dat ik bij haar mocht slapen was balsem. Het verzachtte mijn angst, mijn ontreddering. Ik liet mijn tranen de vrije loop. Ik hoefde me niet langer sterk te houden voor mijn moeder en mijn zusjes. Ik mocht in Amparo’s warme bed huilen en zij droogde mijn tranen met een stapeltje zakdoeken dat ze mee naar bed had genomen. Ik mocht in haar arm liggen en toen ze zich na een tijdje omdraaide, kroop ik tegen haar brede rug aan die stevig, bijna hard aanvoelde. Ik legde mijn hoofd tegen haar nek en streek met mijn lippen over het warme plekje onder haar vlecht. Ze bewoog niet.

Dat deed ze niet. Dat doet ze wel als ik nu aan haar denk. Ik zou willen dat ze hier was. Dat ik tegen haar aan kon liggen en dat ze zich dan om zou draaien. Dat ze mij naar zich toe zou trekken en mij zou kussen.

_MG_0011

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s