2.30. Erfgename

De notaris zegt dat Michel goed voor mij gezorgd heeft. Hij herhaalt het een paar keer en ik wou dat hij er niet zo de nadruk op legde. Ik ben de enige erfgename. Michels broers zijn al een paar jaar dood en hebben voor zover ik weet geen kinderen verwekt. Hij vraagt of ik een testament wil maken. ‘Is dat nodig?’ vraag ik. Hij legt me uit dat na mijn dood Michels huis en gronden, die nu van mij zijn, verkocht zullen worden en dat het geld verdeeld zal worden tussen mijn zusters en mijn broer, of tussen mijn neven en nichten, mochten hun ouders overleden zijn. En dat ik zelf kan beslissen om het anders te doen. Het overweldigt mij. Ik heb nog nooit echt bezit en beslissingsrecht gehad. Ik zeg dat ik erover zal nadenken.

Hij vraagt of ik in het huis wil blijven wonen. ‘Natuurlijk,’ zeg ik. Hij zegt ook dat ik geld ter beschikking heb. Meer dan nodig om goed te leven. Het is een vreemde gedachte. Ik zou niet weten wat ik zou willen hebben dat ik niet echt nodig heb. Dan denk ik aan iets, maar ik zeg het hem eerst niet. Ik wil een reisje maken. Ik wil naar de kust gaan. Ik zal mijn moeder meenemen. Het zal haar goed doen. Het zal ons goed doen. Delphine en Marie zal ik ook meevragen. Ze kunnen me helpen met mama en we kunnen er overnachten.

‘Misschien ga ik op reis,’ zeg ik aarzelend, ‘familie bezoeken.’ Ik zeg het hem omdat ik wil zien of hij het een vreemd idee vindt. Ik heb nog nooit gereisd. Ik heb nooit eerder hardop gezegd dat ik op reis zal gaan. Ik weet niet eens hoe dat in zijn werk gaat, op reis gaan.

Hij kijkt op. ‘Familiebezoek? Waar woont uw familie?’

‘Mijn moeder komt uit het noorden,’ zeg ik. ‘We hebben ook familie aan de kust en in Spanje.’ Dat laatste is gelogen, maar wie weet kan hij mij op weg helpen.

‘Met de trein,’ zegt hij. ‘U kunt de trein naar Perpignan nemen. En daar kunt u de trein nemen naar het noorden, naar de kust of naar Spanje. U hebt in ieder geval geld genoeg om waar dan ook naartoe te gaan.’ Hij staat recht alsof hij mij uitgeleide wil doen.

‘Ik heb nog een verzoek,’ zeg ik. Hij gaat weer zitten. Ik weet dat hij de sleutel van de bakkerij heeft en ik vraag of ik samen met hem de bakkerij kan bezoeken. Misschien kan ik er een aanwijzing vinden over Amparo’s verdwijning.

Hij zucht. De bakkerij is al meer dan dertig jaar afgesloten. De dochter is verdwenen, de zonen zijn nooit komen opdagen. Hij is er toen geweest, kort na het verdwijnen van de dochter. Samen met de buren hebben ze rondgekeken in het huis, er was niets te zien.

‘Zeg maar wat het kost,’ zeg ik. Hij weet dat ik geld heb en dat ik geen benul heb van wat zoiets kan kosten. Maar het kan me niet schelen.

Hij staat recht, gaat naar de kamer naast zijn kantoor en komt terug met een grote sleutel.

‘We gaan nu,’ zegt hij, ‘maar u moet mij beloven dat u hier geen ruchtbaarheid aan geeft.’ Het kost mij geen moeite om dat te beloven, er is niemand aan wie ik dit wil vertellen.

Het is tegen de middag en er zijn geen mensen in de dorpsstraat. Het slot draait zonder moeite open en de deur hangt nog recht in haar scharnieren. Hij laat me binnen en sluit de deur achter ons. De bakkerij is zoals ze mij verteld hadden: opgeruimd. Er hangen wat spinnenwebben, maar er zijn geen sporen van ratten of muizen. Ook de kapperskamer ziet eruit alsof die meteen weer in gebruik kan worden genomen. Heel even zie ik Amparo’s vader daar weer staan, met een wit schort voor.

Ik trek de geldlade in de winkelruimte open. Er ligt niets in.

‘Er lag toen ook niets in,’ haast de notaris zich te zeggen.

Ik ga naar de achterliggende kamers. De kleine woonkamer waar Maria Luisa haar laatste dagen doorbracht, in dezelfde kamer de echtelijke bedstee. De kamer waar de kinderen sliepen en die, na het vertrek van haar broers, Amparo’s kamer werd. Tot mijn verwondering hangen bijna al haar kleren nog in de hoge kast. De zware rokken, de witte katoenen blouses, een enkele jurk. Haar wollen omslagdoek, die zie ik niet. En haar schoenen. Ze had mooie zwarte rijglaarsjes waar ze zuinig op was en die ze regelmatig poetste met vet. Op de linnenkast ligt een handspiegel en een haarborstel.

Haar kamer vertelt me niets.

Ik word plotseling boos op haar. Waarom heeft ze me niets achtergelaten? Een brief of een aanwijzing?

Ik trek alle kasten en laden open. Ik hoor de notaris kuchen.

‘We moeten gaan,’ zegt hij.

‘Nog even,’ zeg ik. Ik keer terug naar Amparo’s kamer en trek de kleine lade van haar nachtkastje open. Daarin ligt een doffe vlecht. Ik herinner me dat Vincent een stuk van haar lange haar had geknipt. Dat moet het zijn. Als ik hem wil oppakken, valt hij uit elkaar.

Ik kijk koortsachtig rond of er iets is dat ik mee kan nemen. Iets van haar. Iets van mijn Amparo, op wie ik razend ben, nu op dit moment. Ik gris de haarborstel mee en schuif hem in mijn mouw.

Voor de deur van de bakkerij geeft de notaris mij een hand en haast zich terug naar zijn grote huis aan het begin van de dorpsstraat. Ik loop naar het huis waar ik opgegroeid ben.

20190429_173714

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s