2.31. Naar zee

Mijn moeder slaat haar handen in elkaar. Naar zee! Ze schudt het hoofd. Zij is ooit naar de kust geweest, zegt ze. Met mijn vader, toen ze nog maar pasgetrouwd waren. Ze waren er een tante gaan bezoeken. Ik heb dus toch familie aan zee. Haar ouders hadden de diligence betaald. Ze droomt er even bij weg.

‘Kind toch,’ zegt ze dan. ‘Hoe gaan we dat doen?’

‘Met de trein,’ zeg ik.

Delphine staat erbij, de mond open van verbazing.

‘Met de trein? Hoe gaan jullie naar het station? Moeder kan zover niet meer lopen.’

‘Ik huur wel een kar,’ zeg ik ‘en jij gaat mee.’

Ze laat zich op een stoel zakken.

Ik zie de opwinding op hun gezichten, ze blozen allebei. Ik voel me overmoedig. Zij zijn blij en opgewonden als kinderen. Voor het eerst sinds lang voel ik me sterk in hun aanwezigheid. Sterk en mild. Hun blijdschap maakt me blij. Er is vandaag geen wrevel, geen wrok.

Maries dochter, Pauline, komt binnen en ziet onze vreugde, ze vraagt wat er is.

‘Mag ik ook mee?’

‘Ja,’ zeg ik, ‘ja, en je moeder ook!’

Uiteindelijk zijn we met zijn zessen. Zes vrouwen, van jong tot oud. We hebben het adres van een nicht van mijn moeder en van een hotel waar we kunnen overnachten. Maries man brengt ons met zijn kar naar het station.

Het eerste uur zijn we onder de indruk van het gevaarte waarin we ons bevinden, en van het sissen van de stoom dat bij het vertrek onze commentaren overstemt. We vergapen ons aan de gepolijste houten banken, de andere reizigers, de man in uniform aan wie ik de kaartjes moet laten zien. Het landschap dat voorbij schuift. Daarna kijken we naar elkaar. De dochters van Marie schikken hun rokken en hebben het over het borduursel op hun blouses. Mijn moeder ziet er tevreden uit, mijn zussen ingenomen. We zitten dicht op elkaar, zo dicht hebben we nog nooit bij elkaar gezeten. Onze rokken en omslagdoeken overlappen elkaar. We zijn zes vrouwen gehuld in katoen en wol. We zijn een kring van vrouwen die voortkomen uit de oudste. En toch voel ik mij alleen tussen hen. Ik mis Michel. Waarom hebben we zoiets nooit gedaan? De spoorlijn ligt hier al tientallen jaren. Het kwam niet in ons op. Maar nu zou ik willen dat hij hier was, dat hij dit mee kon maken. Mijn moeder en mijn zussen vragen nooit hoe het met me gaat, nu hij er niet meer is, en zelf begin ik er niet over. Ze lijken zich ongemakkelijk te voelen als ik zijn naam uitspreek, ze proberen dan van onderwerp te veranderen.

Ik ben alleen met mijn gemis. En alleen met mijn heimelijke hoop dat ik aan zee Amparo zal vinden. Misschien niet meteen haarzelf, maar iets, een teken, een aanwijzing. Het is te belachelijk om uit te spreken, ik weet het. Daarom zwijg ik.

We zullen bij mama’s nicht op bezoek gaan. Ze verwacht ons. Mama heeft haar geschreven. Tante heeft twee kamers in een hotel voor ons gereserveerd. We zullen daar dineren. Misschien krijgen we vis. Zeevis.

Maar vooral, we zullen de zee zien. De lichtgevende streep die ik vanop de kam al zo vaak in de verte heb gezien. Het oneindige water.

20161120_145025

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s