2.32. Visvrouwen

In het station van Perpignan moeten we overstappen op de trein richting Spanje. De controleur helpt ons naar het andere spoor en drukt ons op het hart dat we bij de vierde halte moeten uitstappen. Daarna rijdt de trein tot aan de grens. Opeens ben ik er niet meer zo zeker van dat ik naar de zee wil. De grens, de grens trekt me aan. Maar het kan nu niet. De zee zal het zijn. De grens komt nog wel. Later. Ik beloof het mezelf. Nu ik de weg weet. Nu ik het reizen begrijp.

Mama’s nicht en haar man staan ons op te wachten. Ze hebben elkaar in geen jaren gezien. Tante Pierrette was nog een kind toen mijn pasgetrouwde ouders bij haar ouders op bezoek kwamen. Ze brengen ons met een open koets naar hun huis en vanaf de weg zien we het oneindige water. De vissersboten, mannen en vrouwen aan het werk op het strand. Mijn hart gaat tekeer. We rijden verder naar hun huis waar we aan tafel genodigd worden. We eten brood met kleine gepekelde visjes. Mijn moeder en haar nicht hebben het over lang geleden toen die en die er nog waren. Ze tellen de doden. Tante Pierrette toont haar medeleven – eerst met mijn moeder, dan met mij. Mijn moeder en mijn zussen knikken meewarig. Het leven. De dood. Laten we klinken op het leven. We krijgen glaasjes op een voet met een sterk en zoet drankje. Het stijgt meteen naar mijn hoofd.

’s Avonds eten we witte zeevis met graten. Er wordt gelachen en gegeeuwd. Mijn moeder en ik gaan als eersten naar de kamer. Ik kan niet wachten tot de nacht om is.

De ochtend is van mij. Mijn moeder en Delphine slapen nog vast. Ook achter de deur van de kamer waar Marie en haar dochters slapen, is het nog stil. Ik loop naar het strand. Ze hebben mij verteld over de drukte ’s morgens. De vissersboten die aanmeren, de bakken met spartelende vissen, de schreeuwende vrouwen, het bieden, het schelden, het in elkaar slaan van handen. De zilte geur van verse vis, de stank van het afval dat op het strand is blijven liggen.

Het is zoals oom Alphonse, de man van tante Pierrette, beschreven heeft. Ik heb gezegd dat ik het met mijn eigen ogen wilde zien. De anderen zullen wel weten waar ik ben als ze wakker worden.

Viswijven, noemde Alphonse hen. Ik bekijk ze een voor een. Het zijn sterke vrouwen, ze hebben dikke armen en grote handen, zoals Amparo. Maar Amparo kan hier niet zijn. Tussen dat geweld, dat geroep, de grove taal die ze uitslaan. Nee, Amparo zou nooit een viswijf kunnen zijn. Ze is hier niet. Ze is niet aan zee. En dat is de enige aanwijzing die ik krijg. Dat ik niet aan de kust moet gaan zoeken, dat ze in het binnenland is.

Tijdens de terugreis, zit ik aan het raam. Maries dochters praten opgewonden over wat ze gezien hebben. Het hotel heeft nog het meest indruk gemaakt. De sneeuwwitte linnen tafellakens, de monogrammen op het porselein, de kristallen glazen, de andere gasten. Vrouwen met jurken met pofmouwen en sleeprokken. Mannen met kostuums en jassen met lange panden die sigaren rookten en af en toe op hun horloges keken.

Ik heb gevraagd of ik bij het raam mocht zitten. Ik wil naar buiten kijken, mijn hoofd afwenden, zodat ze niet zien dat ik mijn ooghoeken dep. Ik richt me op het landschap, de verbazende vlaktes, de grote boerderijen. Ik zie citroenbomen en sinaasappels in tuinen. En als we dichter bij huis komen, rijen perzikbomen en abrikozen. En ik vraag me af waar die groeves zijn, waar het marmer gedolven wordt. Het kan niet in dit landschap zijn.

20190221_162153

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s