2.33. Monnik

Het reisje naar zee heeft me vermoeid. Ik ben blij dat ik weer op de berg ben. In ons huis, bij de honden en de schapen. De schapen komen naar me toe als ik bij de weide kom. De honden springen opgewonden en verdringen elkaar voor mijn aandacht.

Ik steek het fornuis aan, maar ik ben te moe om nog iets te koken. Ik ga in bed liggen en ik blijf liggen tot de volgende dag al voor een groot stuk gevorderd is. Ik heb nog steeds geen honger. Ik breng de schapen naar een weide waar het gras wat hoger staat, niet te ver, en keer dan terug naar huis. Ik ga in de schommelstoel zitten. Mijn armen en benen zijn loodzwaar. Voor het eerst sinds Michel er niet meer is, overweeg ik om de kudde te verkopen.

‘Je hoeft niet alle schapen te verkopen,’ hoor ik hem zeggen, ‘je kunt de kudde ook halveren. Wat ga je anders doen? Je kunt niet eeuwig schommelen.’

Ik kan niet eeuwig schommelen, maar toch nog een tijdje. Ik moet blijven zitten en nadenken. Of zelfs niet nadenken. Gewoon blijven zitten tot mijn armen en benen lichter worden, tot ik honger krijg, tot ik weer gedachten krijg.

 

Ik kom stilaan weer in de routine en blijf een maand op de berg.  Dan ga ik terug naar het dorp. Mijn moeder is blij me te zien. Ze lijkt vergeten te zijn dat ik geweigerd heb om bij haar te komen wonen. Ze heeft een nieuwe herinnering. Terwijl ik naast haar zit, haalt ze zich alles weer voor de geest: de trein, het overstappen in Perpignan, Pierrette en Alphonse, de boterzachte vis, de hotelkamer, de rotskust, het kleine witte strand. Delphine zegt dat moeder sinds de reis meer slaapt en minder uit haar stoel komt. Ze heeft een haakwerk op haar schoot. Ze kan al lang niet meer naaien, maar ze haakt blindelings een sprei.

‘Dit is de laatste,’ zegt ze, ‘daarna is het gedaan, met haken en met mij.’

‘Dat zegt ze de hele tijd,’ fluistert Delphine mij toe.

De sprei is voor Pauline, de jongste dochter van Marie.

Ik vraag aan mama of ze haar schrift nog heeft, of ze het nog bijhoudt. Ze wijst naar de bovenste lade van een commode.

‘Neem het maar’, zegt ze, ‘Het is voor jou.’

Ik blader erin, Delphine komt erbij. Alle geboortedata staan erin. Ook de sterfdag van mijn vader, de sterfdagen van Amparo’s ouders. De geboortedagen van de kleinkinderen zijn er in een beverig handschrift bijgeschreven. De sterfdag van Michel staat er nog niet in. Ik zal hem aanvullen. Daarmee zal ik beginnen. Het schrift is maar voor een klein deel volgeschreven. De lege bladzijden trekken mij aan. Ik heb thuis een pen en inkt, ik ben benieuwd of ik het nog kan. De laatste jaren heb ik maar weinig geschreven. Ik heb zelf ook nog ergens een schrift, maar er is maar een halve bladzijde van beschreven.

Op de terugweg, klop ik aan bij de priorij. Ik vraag of ik de bibliotheek mag zien. Ik ben er niet meer geweest sinds ik er naar school ging, maar er is niet veel veranderd. De monnik die in de bibliotheek werkt, kijkt me wat verbaasd aan. Zijn blik  gaat naar mijn mond, uit gewoonte trek ik mijn omslagdoek wat naar voor. Dan bedenk ik me en laat ik mijn sjaal op mijn schouders glijden. Wat maakt het uit. Ik vertel hem dat ik nog naar school ben geweest in de priorij, toen het schooltje in het dorp nog niet bestond. Hij is jonger dan ik, hij heeft die tijd niet meegemaakt, zegt hij. Ik kijk wat rond, maar weet zelf niet goed wat ik zoek. Aan de muur hangt een kaart van de streek. Ik zie de zee, ze is felblauw gekleurd. De monnik staat naast mij en zet zijn vinger op een plek in het binnenland. ‘Wij zijn hier,’ zegt hij. Ik kan niet geloven dat we zo ver hiervandaan zijn geweest. Mijn ogen dwalen over de kaart. Ik zie een naam die mij bekend voorkomt: Villefranche. Een van de plaatsnamen die Augustin genoemd heeft.

Ik weet genoeg, ik zal terugkomen.

‘Wanneer je maar wilt,’ zegt de monnik, ‘ik ben hier altijd.’

Ik vraag een leesboek en of ik dat mee mag nemen. Hij moet even nadenken. Dan opent hij een kleine kast met een sleutel. Hij geeft me een boek met novelles. Het is geïllustreerd met pentekeningen. Ik mag het aan niemand laten zien, want het is een boek dat niet in de priorijbibliotheek hoort. Zo zijn er nog een paar, hij bewaart ze apart.

Ik wikkel het in mijn omslagdoek en leg het in mijn mand op het schrift van mijn moeder. Terwijl ik mijn weg voortzet, kijk ik af en toe in mijn mand.

20190527_143458

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s