2.35. Geduld

Amparo, mijn lieve Amparo

De broeder van de kloosterbibliotheek zegt dat er na de winter een herstelling wordt gedaan in de kapel van de priorij. Na de winter, dat is nog maanden wachten. En zal ik dan Vincent kunnen spreken? Er werkt een Vincent bij dat marmerbedrijf, wist de econoom van het hoofdklooster te melden.

Ik zou een brief kunnen schrijven en meegeven, heeft de broeder gezegd. Maar hoe kan ik alle vragen die ik heb in een enkele brief schrijven? En zal die brief wel bij Vincent aankomen?

Het liefst van al zou ik meteen daarheen gaan, maar de monnik zegt dat het ingewikkeld is en dat het als vrouw alleen gevaarlijk reizen is.

Ik heb nooit leren paardrijden of een kar mennen. Ik denk er wel eens over om een ezel te kopen en een kleine wagen.

Ik denk zoveel. Naar jou schrijven helpt mij om trager te denken. En om geduld te hebben.

Als ik naar jou schrijf, dan weet ik dat je leeft. Dan weet ik dat we elkaar zullen weerzien. Ik vraag me af hoe je eruitziet. Is je haar nog zwart? Of heb je van die grijze strengen zoals je moeder had? Zo stel ik je mij nog steeds voor: met een dikke vlecht op je rug. Het stuk dat Vincent eraf geknipt heeft zal er wel weer aangegroeid zijn.

Mijn haar wordt niet grijs. Het heeft nog steeds een lichte kleur. Ik heb er een armlengte afgeknipt. Ik borstel het elke avond met jouw haarborstel.

Zullen we elkaar herkennen? Natuurlijk wel. Ik zal je van ver herkennen. Je bent alle dagen in mijn gedachten.

Ik heb je zoveel te vertellen. Over Michel, die mijn man en mijn vriend is geworden. Hij had het in zijn laatste dagen nog over jou. Ik mis hem. Ik mis zijn aanwezigheid in het huis.

Soms ga ik naar het kerkhof en dan praat ik met hem. Ik vertel hem dat ik de kudde gehalveerd heb en dat de oudste hond, Noude, gestorven is. Ik heb hem verteld dat ik naar de kust ben geweest. Dat ik gehoopt had om daar iets over jou te weten te komen. Maar dat ik alleen maar begrepen heb dat je daar niet bent. En ik zeg hem dat ik je zal weerzien. Dat ik daar elke dag voor opsta, om jou weer te zien.

Colombe, die van je houdt.

 

‘Die van je houdt’, zo heb ik het geschreven. Hoe kan ik het anders zeggen? Al die jaren dat ik haar mis en ernaar verlang om haar weer te zien, is dat geen liefde? Of bestaat liefde alleen tussen een man en een vrouw? Mijn moeder en Delphine zeiden dat ik Amparo moest vergeten.

‘Kwel je toch niet zo,’ zei mijn moeder. ‘Ze is weg. Ze komt niet meer terug. Het zit in de familie, kijk maar naar haar broers. Die zijn ook nooit meer teruggekomen, terwijl ze hier een huis met een bakkersoven hebben.’

Daarna heb ik er met hen niet meer over gepraat. Maar ik bleef wel aan haar denken. Tot het pijn deed soms. Ik dacht dan aan onze kinderjaren en hoe we samen opgroeiden. Hoe we gearmd door het dorp liepen en het geplaag van de jongens negeerden. Aan alle uren die we samen doorbrachten bij ons thuis aan de naaitafel of bij haar thuis in de warmte van de ovenkamer. Aan die keer dat we bij elkaar mochten slapen. Aan haar stevige lichaam dat ik meer dan eens vastgehouden heb, haar rug, haar brede schouders. En aan die kus. Die ene kus die we op elkaars lippen hebben gedrukt. Daaraan denken doet mijn bloed stromen.

DSCN2904

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s