2.36. Vincent

De herstellingswerken aan de kapel van de priorij zullen maar een dag of twee in beslag nemen. De bibliotheekbroeder heeft me gezegd dat ik het beste ’s ochtends kan komen als ik Vincent wil spreken. Ik ben bij zonsopgang vertrokken. De korte klim naar de kam en de afdaling naar het klooster doe ik in minder tijd dan gewoonlijk.

Als ik de priorij nader, zie ik een paar mannen bij het portaal staan. Een van hen bestijgt een paard, wisselt met de anderen nog een paar woorden en rijdt weg. De man op het paard komt me vaag bekend voor. Is hij niet iemand van het dorp? De twee anderen gaan de kerk binnen. Ik haast me achter hen aan.

Ik weet niet of een van hen Vincent is, maar ik roep zijn naam. Ze kijken allebei om.

‘Is Vincent hier?’ vraag ik.

De ene wijst naar de andere en de andere knikt. Ik herken hem niet. Ik heb hem ooit gezien als kleine jongen, toen hij bevriend was met Augustin. Maar de man die voor mij staat is niet veel jonger dan ik. Hij heeft een getaand gezicht. Hij mist een paar tanden. Ik trek mijn omslagdoek wat naar voor.

Ik stel mezelf voor als de zus van Augustin. Bij het horen van zijn naam, is hij meteen geïnteresseerd. Hoe het gaat met Augustin vraagt hij. Ik weet het niet zo goed. Ik heb Augustin al een tijdje niet meer gezien. Hij is getrouwd, heeft drie kinderen en verdient de kost als meubelmaker. Hij woont in een wat verder gelegen dorp. Een enkele keer ontmoeten we elkaar bij Delphine. En ja, mijn moeder leeft nog. Ik zal haar de groeten doen.

Dan zeg ik dat ik voor hem gekomen ben.

‘Ik ben op zoek naar Amparo, de bakkerin bij wie jij nog gewerkt hebt.’

Vincent stuurt met een wuivend gebaar zijn kompaan de kerk in.

‘Begin maar,’ zegt hij, ‘ik kom eraan.’

‘Dat is lang geleden’, zegt hij, ‘ik weet niets over haar.’

‘Maar jullie zijn toch samen vertrokken?’ vraag ik.

‘Ja,’ zegt hij, ‘maar ik weet niet waar ze heen is gegaan.’

‘Waar en wanneer zijn jullie dan uit elkaar gegaan?’

Hij trekt zijn schouders op.

‘Het is lang geleden,’ zegt hij opnieuw.

‘Is ze naar Spanje gegaan?’ vraag ik.

Hij kijkt op. Het lijkt alsof hij zich iets herinnert.

‘Dat is mogelijk,’ zegt hij ‘ik denk het zelfs. We zijn samen zuidwaarts gegaan en in de eerste stad hebben we afscheid genomen. Mogelijk heeft ze daar een diligence gevonden naar de grens.’

‘Hoe was ze?’ vraag ik dan. ‘Heeft ze iets gezegd over haar plannen?’

Hij antwoordt niet meteen, beweegt wat met zijn schouders, kijkt achterom de donkere kerk in.

Ik raak zijn arm aan.

‘Jullie schoten toch goed met elkaar op? Dat heeft ze me verteld. Ze vertelde me dat je allerlei recepten uitprobeerde in de bakkerij en dat je de kapperskamer in gebruik had genomen. Ze mocht je graag. Je maakte haar aan het lachen. Je mocht haar bovenlip scheren en je hebt een stuk van haar vlecht afgeknipt.’

Vincent kijkt me met groeiende verbazing aan. Dan zegt hij weer dat het lang geleden is. Hij lijkt na te denken.

‘Zij was een goede bazin,’ zegt hij. ‘Ze gaf me vertrouwen, ik mocht doen waar ik zin in had en daarom deed ik meer dan overeengekomen was. Het ging goed tot ze plots, van de ene dag op de andere dag, aankondigde dat ze op reis wilde gaan. Ze zei dat haar broers de bakkerij hadden geërfd, maar dat zij een som geld gekregen had. Genoeg om een tijdje te reizen. Maar ze heeft nooit gezegd waar ze heen zou gaan. Ik denk dat ze dat zelf nog niet wist. Ik ben in die eerste stad gebleven. Ik heb hier en daar wat gewerkt en toen ben ik in de marmergroeve begonnen. Dat is mijn stiel geworden.’

Dat is zijn stiel geworden. Hij heeft haar nooit meer gezien. Hij weet niet meer dan ik nu. De moed zinkt me in de schoenen.

Hij ziet mijn wanhoop en nu is hij het die zijn hand op mijn arm legt. Hij heeft grote handen, dikke vingers, een gescheurde nagel.

‘Maak je geen zorgen,’ zegt hij. ‘ik ben er zeker van dat ze goed terecht is gekomen, ze was een sterke vrouw. Sterker dan veel mannen. Sterk van lichaam en sterk van geest.’

Zijn woorden troosten mij niet. Ze maken het erger. Ze is tot veel in staat, Amparo. Ook om zover hier vandaan te gaan dat er geen weg terug is, denk ik bitter.

Ik zou naar de bibliotheek kunnen gaan. Ik zou met de broeder kunnen spreken. Maar hij heeft alles gedaan wat binnen zijn bereik lag. Hij kan niets meer voor mij doen. Dat is me nu duidelijk.

Ik zou naar het dal kunnen gaan. Mijn moeder en Delphine met een onverwacht bezoek kunnen verrassen, maar dan kom ik langs de bakkerij en dat huis met de gesloten luiken wil ik nu even niet zien.

Ik dank Vincent en wens hem het beste. Ik keer me om en klim naar de kam. De zeelijn glinstert. In het zuiden ligt het gebergte, vandaag zo helder dat het niet eens ver lijkt. Daarachter ligt Spanje. Spanje is niet ver, maar het is groot. Er is geen beginnen aan.

20180416_152344

 

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s