2.39. Delphine

De afgelopen weken was er weinig beweging in het gehucht. Er vertrokken geen karren meer naar het dal, er kwamen er ook geen aan. De paarden stonden te snuiven in de weiden. De mensen bleven in de buurt van hun huizen.

Er wordt weer aan de kerk gewerkt. Die is nu volledig gesloten. Er ligt een dak op. Langs één kant is de gevel verhoogd. Er hangt een klok in die enkel ’s zondags luidt. Er is gelukkig nog niet op een ongewoon tijdstip geluid. De ziekte is niet tot hier gekomen.

Ik ben al een paar keer naar nieuws gaan vragen, maar de mensen hier weten niets. Nu het weer wat zachter is, vind ik dat het tijd is om zelf te gaan kijken.

In de priorij staan de poorten weer open, maar de bibliotheek is gesloten. Broeder Benoit herstelt nog, zeggen ze, maar het ergste is achter de rug. Ik vraag hoe het in het dorp is. De meesten zijn genezen, er zijn een paar mensen gestorven. De broeder die mij te woord staat, noemt een paar namen.

Ik haast me naar beneden. Delphine en haar man hebben de ziekte gehad. Marie ook. Maar de kinderen zijn gespaard gebleven. Delphine ziet er moe en mager uit. Ik vraag of ik iets kan doen. Ik vertel haar dat ik naar het dorp had willen komen, maar dat ze mij gewaarschuwd hadden dat het gevaarlijk was.

‘Het is goed dat je boven bent gebleven, het was beter zo,’ zegt ze. Het klinkt wat schamper. Mijn schuldgevoel wordt er niet minder door.

Ze zucht, Delphine.

‘Wat is dat toch?’ zegt ze dan, ‘We zien Augustin niet meer, en jij komt ook bijna nooit meer.’

Jullie komen ook nooit naar mij, denk ik, maar ik besef dat ik hen ook nooit uitnodig.

‘Ik mis ons soms,’ zegt ze, ‘mama en wij, toen we nog thuis waren. De laatste tijd denk ik daar dikwijls aan. Waar is het toch misgelopen, dat we zo uit elkaar zijn gegroeid?’

Ik voel me ongemakkelijk. Ik kan me niet herinneren dat Delphine en ik dit soort gesprekken ooit hadden. Alsof er iets veranderd is bij haar. Alsof haar ziekte iets wakker heeft gemaakt. Ik weet niet meteen wat ik moet zeggen, maar dan besluit ik om eerlijk te zijn, om haar iets te geven.

‘Ik was jaloers,’ zeg ik, ‘omdat jij kinderen kreeg. En later ook op Marie, toen zij moeder werd.’

Ze kijkt me met grote ogen aan. Het is blijkbaar nooit bij haar opgekomen dat ik jaloers was, dat ik leed omdat ik niet zwanger werd, dat ik haar en haar kinderen om die reden meed.

Ze zwijgt een tijdje.

‘En ik was jaloers op jou,’ zegt ze dan.

‘Op mij? Wat was er dan om jaloers op te zijn?’

‘Op jouw vriendschap met Amparo,’ zegt ze. ‘Ik dacht dat je meer om haar gaf, dan om mij, dan om ons. Je was altijd bij haar. Het was Amparo hier en Amparo daar. En toen het minderde was het de herder.’

Ze noemt Michel nog altijd de herder.

‘Toen wilde je plotseling trouwen. En wij maar kleren voor je naaien.’

Het klinkt bitter. Alsof haar jaloezie er nog steeds is, alsof het nooit over is gegaan. Ik weet niet wat ik moet doen. Moet ik excuses aanbieden? Vergeving vragen? Voor iets waarvan ik me toen niet bewust was?

‘Het spijt me,’ zeg ik dan. Het klinkt waarschijnlijk niet erg overtuigd.

‘Nee, het spijt mij,’ zegt ze dan, ‘dat ik niet beseft heb hoe moeilijk dat voor jou was om ons kinderen te zien krijgen.’

‘Ach,’ zeg ik, ‘het heeft nu geen belang meer. Ik mis het niet meer.’

Wat ik wel mis, durf ik haar niet zeggen. Het is genoeg geweest. Vertrouwelijker dan dit moet het niet worden. We omhelzen elkaar wat langer als ik wegga. We snuiten onze neuzen en zwaaien nog even naar elkaar als ik de straat opga.

 

Ik heb Delphine niet meer teruggezien. Ze kreeg een hartaanval, een paar uur nadat ik vertrokken was.

Ze wordt in het dorp begraven, naast onze vader en moeder. Marie is ontroostbaar. Augustin is alleen gekomen. Tot onze verrassing staat Vincent bij het graf. Hij schudt Augustin de hand. Voor ze samen van het kerkhof naar het café gaan, komt hij naar mij.

‘Binnenkort kom ik naar de berg,’ zegt hij, ‘de abdij heeft marmer voor jullie kerkje besteld. We gaan het portaal inwerken en binnen platen tegen de zijwanden plaatsen. We zijn al bezig met het wijwatervat.’

Ik heb de tijd niet om te vragen of hij nog iets van Amparo heeft gehoord want Augustin trekt aan zijn mouw.  Ach, ik kan het hem nog eens vragen als hij naar het gehucht komt.

Ik ga mee met Marie en haar dochters. Ik doe mijn best om wat aandacht voor de kleinkinderen te tonen.

 

20190527_141631

Einde deel 2.

(Deel 3 begint zondag 9 juni.)

Een gedachte over “2.39. Delphine”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s