3.1. Achterom kijken

Vannacht ben ik in de bakkerij geweest. Overdag vertoon ik mij liever niet in het dorp. Je weet maar nooit of iemand mij zou herkennen. Alles was er nog zoals ik het achtergelaten had. Ook het geld dat ik op drie plaatsen verstopt had, was er nog. Zoals ik wel verwacht had, zijn Javi en Luìs nooit meer teruggekomen. De bakkerij kon hun gestolen worden.

Wat had mijn vader dan gedacht? Dat ze zouden terugkomen om hun erfenis op te eisen? Dat hij ze op die manier weer naar mij en mijn moeder kon lokken?

Papa, toch. Je had beter moeten weten. Die koppige zonen van jou wilden helemaal niet meer achterom kijken. Dat heb ik al die jaren ook niet meer gedaan.

Maar toen ik vannacht in de bakkerij was, kwam het allemaal terug. Ik zag mijn vader in de kapperskamer, in de weer met dampende doeken en scheerkwasten. Ik zag hem het mes wetten op een reep leer. Ik liep door naar de bakkerij. Daar zag ik hem op de grond liggen. Roerloos en wit. Ik zag mijn moeder op de grond zitten. Hoe ze aan zijn armen rukte terwijl ze zijn naam riep. Haar vruchteloze pogingen om hem in zithouding te trekken.

De dag na de begrafenis van mijn vader werd mijn moeder ziek. Ze kreeg hoge koorts en ijlde. Haar toestand was zo zorgwekkend dat ik de bakkerij niet kon heropenen. Ik bleef bij haar, zoveel ik kon. Ik legde natte doeken op haar hoofd en als ze wakker werd probeerde ik haar bouillon te laten drinken. Camille kwam regelmatig langs. We zaten dan samen aan het bed te kijken naar haar onrustige slaap en haar ijlen. Ze riep om haar zoons. Ze riep niet om mijn vader. Alsof het nog niet tot haar doorgedrongen was dat mijn vader gestorven was. Ook voor mij was het nog onwezenlijk. Het was te snel gegaan. Hij was niet ziek geweest. Hij was van het ene moment op het andere plots weg. Zijn lichaam lag weliswaar op de grond, maar zijn leven was overduidelijk en onherroepelijk weg. Dat had ik meteen gezien en toch kon ik het niet bevatten. Het drong pas echt tot me door toen ik een brief aan mijn broer schreef.

‘Javi, onze vader is dood,’ schreef ik. En ik moest mijn pen neerleggen, want mijn tranen drupten op het blad en deden de inkt uitvloeien. Ik herbegon en beschreef kort wat er gebeurd was. Ik vroeg niet of hij en Luìs naar huis kwamen. Het was te laat. Vader was er niet meer. Maar toen mijn brief klaar was en al opgevouwen op de kast lag, hoorde ik mijn moeder roepen. Ze was wakker geworden. Ze reikte naar mijn hand en keek me smekend aan.

‘Mijn zonen,’ zei ze, ‘waar zijn mijn zonen? Javi? Luìs?’

Ze begon te jammeren.

‘Ik heb een brief aan Javi geschreven,’ zei ik.

‘Zeg dat ze naar huis moeten komen… zeg het, Amparo, schrijf het.’

Ik ging op de stoel naast haar bed zitten en zuchtte. Ze waren al zoveel jaren weg. Ze hadden mijn ouders verdriet gedaan. Ik had hen gemist. Ik wist niet of ik hen wel wilde zien. Ik was meer kwaad dan verdrietig. Maar mijn moeder bleef maar smeken en aandringen, tot ik de brief ging halen, hem weer openvouwde en onderaan vroeg of ze naar huis wilden komen. ‘Onze moeder is ziek en ze vraagt naar jullie,’ schreef ik.

Ik toonde de brief aan mijn moeder en dat leek haar te kalmeren. De volgende dag gaf ik hem mee met de diligence. De koerier dacht dat de brief langer dan een week onderweg zou zijn.

Mijn moeder werd beter en kon uit bed komen, maar ze was te zwak om iets te doen. Ik opende de bakkerij, maar ik beperkte me tot brood. Ik had geen tijd en ook geen zin om zoet gebak te maken.

 

Camille kwam meerdere keren per dag kijken. Ook zij had het zwaar. Ze miste Colombe. De dood van mijn vader had wellicht ook de herinnering aan de dood van Baptiste opgeroepen. En nu bleek dat Delphine zwanger was. De jongen met wie ze verkeerde, wilde gelukkig met haar trouwen. Maar Camille had het liever anders gehad. Ze deelde haar zorgen met mijn moeder, eerst aarzelend, maar toen zag ze dat het mijn moeder afleidde om mee na te denken over Delphines toestand, hoe en wanneer ze zou trouwen en waar ze zou wonen. Mijn moeder hoopte dat Delphine met haar man bij Camille bleef wonen zodat ze het kind zouden zien opgroeien.

Ik was blij dat Camille mijn moeder iets gaf om over te denken en te praten. Maar als ik die twee vrouwen bezig hoorde, kon ik me soms verschrikkelijk alleen voelen. Ik miste mijn vader. Ik miste zijn aanwezigheid. Hoewel hij, zeker de laatste jaren, nooit hartelijk was geweest. Niet onvriendelijk, maar toch kortaf tegen de vrouwen die brood kwamen halen en de mannen die hun haar lieten knippen of zich lieten scheren. Ook tegen ons was hij zuinig met zijn woorden geweest. Hij gaf instructies en zolang alles liep zoals hij het wilde, was het goed. Niet dat hij dat ooit zei, maar hij liep soms te knikken en daaraan zag ik dat de bakkerij naar zijn zin draaide.

Ik miste hem, maar ik miste Colombe nog meer. Als ik huilde, huilde ik om haar.

DSCN3551

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s