3.3. Colombe

Zolang mijn broers niet opdoken, hield de bakkerij mij aan de gang. Maar in mijn hart had ik er al afscheid van genomen. De bakkerij was nooit van mij geweest, maar van mijn ouders, en zou ook nooit van mij zijn. Ik kon de zaak zelfs niet van mijn broers overkopen, want dan zou het bestaan van het spaargeld aan het licht komen. In gedachten begon ik de bakkerij achter mij te laten. Ik mijmerde over iets nieuws, iets anders, maar ik kon nog niet bedenken wat ik zou willen doen. Ik kon naaien. Ik kon kleren en huishoudlinnen maken, maar ik was er nooit zo goed in geweest als Camille en Colombe, en de gedachte om hele dagen thuis aan een tafel te zitten knippen en zomen, stond me tegen. Mijn gedachten gingen naar buiten. Naar iets dat me op andere plaatsen zou brengen. Ik dacht aan mijn broers en voor het eerst kon ik begrijpen waarom ze waren vertrokken. De wereld was groter dan dit dorp. Van de ambachten die in dit dorp werden beoefend was er niets dat ik zou willen doen. Ik keek op een andere manier naar de dorpelingen die bij mij over de vloer kwamen of die ik op straat tegenkwam. Ik vroeg me af wat ze deden. Soms sprak ik hen aan en dan vroeg ik naar hun bezigheden. Ik zag dat mijn belangstelling hen verbaasde. Ze waren niet gewend dat ik vragen stelde en gesprekken voerde. Ze schreven het wellicht toe aan het feit dat ik er nu alleen voor stond en ze hadden met mij te doen. Ze kwamen vaker en vroegen wanneer ik weer zoetigheden zou maken en zo draaide de bakkerij na een tijdje weer op volle toeren. Mijn broers lieten zich niet zien, al schreef Javi dat hij terug zou komen om de ‘zaken te regelen’.

De zaak draaide ondertussen zo goed dat ik iemand in dienst moest nemen. Ik nam Vincent aan, een vriend van Augustin. Hij had nog nooit in een bakkerij gewerkt, maar hij was bereid om ’s nachts te werken en hij legde een nieuwsgierigheid aan de dag die mij beviel. Hij keek goed toe, hoe ik het deed, en bootste me na. Ik hoefde niet veel uitleg te geven en dat vond ik een voordeel.

Ik verdiende genoeg om Vincent te betalen en om een vierde zakje spaargeld aan te leggen. Ik begon al minder vaak te denken aan iets anders, een andere kostwinning, of een andere plaats waar ik zou kunnen wonen en werken. Er was ook nog Colombe die ik om de vier weken zag. Ik was gehecht aan onze wandeling tot aan de priorij, hoe pijnlijk ik het afscheid ook telkens vond. En er waren Camille, en Delphine die een kind verwachtte, en Marie en Augustin. Zij waren nu mijn familie. En als mijn broers niet kwamen, kon alles toch gewoon blijven zoals het was?

Het bleef wel knagen dat Colombe weg was. Niet eens zo ver weg, maar wel onherroepelijk weg, zo zag het ernaar uit. Ik had gehoopt dat ze zou terugkomen. Dat het leven op de berg haar zou tegengevallen en dat ze de schaamte van een mislukt huwelijk zou trotseren. Maar het zag er niet mislukt uit. De eerste keer dat ze ons kwam bezoeken, zag ze er nog mager en nerveus uit. Maar daarna leek ze meer en meer rustig en zelfs tevreden. Ik wachtte op de mededeling dat ze zwanger zou zijn, alsof me dat van mijn schijntje hoop zou verlossen.

Colombe was mijn zus. Meer dan mijn zus. Al weet ik niet hoe het is om een zus te hebben, want ik had er geen. Ik had Colombe. Ik was met haar opgegroeid. We hadden samen op de warme vloer in de bakkerij gespeeld, of bij hen thuis, met draadjes en lapjes stof. We waren samen naar de kloosterschool geweest en daarna naar de gemeenteschool. We speelden schooltje met Marie, Delphine en Augustin, leerden hen lezen, schrijven en rekenen en werden op die manier zelf ook slimmer. Als Colombe koorts kreeg, ging ik haar bezoeken en werd ik ook ziek. Die dag dat Colombes vader gewond en stervend was, sliep ze bij mij in bed. Ik had haar vastgehouden, haar de hele nacht gevoeld, hoe ze lag te snikken, en zuchtte en bewoog in haar slaap.

Colombe hoorde bij mij zoals mijn armen en benen bij mij hoorden, zoals de dikke zwarte vlecht op mijn rug bij mij hoorde. Ze was een deel van mij, van mijn lichaam. Ik kende haar geur, ze rook naar zeep, want in hun huis werd de wasteil meer dan een keer per week gevuld met lauw water. Ze rook ook naar lavendel, want in hun kasten en zelfs in hun bedden lagen overal zakjes lavendel, die wij als kind hadden leren naaien en vullen.

Ik wist hoe haar armen voelden, ze waren dunner dan de mijne, hoe haar rug voelde, ik kon de knopen van haar ruggengraat tellen.

En toen ze mij een keer omhelsde na een ruzie over de herder, voelde ik dat alles weer, maar ik durfde haar niet tegen mij aan te trekken. Ik was bang om haar te breken. Ik was bang voor het geweld in mij, dat haar met alle macht wilde omarmen om nooit meer los te laten. Ik wilde haar aan mij binden. De gedachte dat ze zou trouwen, met de herder of met iemand anders was ondraaglijk. Kon ik maar trouwen met haar. Maar die gedachte was zo absurd dat ik ze niet eens durfde te denken, en zeker niet uitspreken.

De angst dat ik haar zou verliezen, zat in mij en kon ik met niemand delen. Zelfs niet met haar. Ook niet met mijn moeder. Mijn moeder leek stilaan te begrijpen dat ik vastbesloten was om niet te trouwen. Ze zag samen met mijn vader het voordeel: ik zou bij hen blijven. Mijn broers waren niet teruggekeerd, zoals mijn vader gedacht had. We kregen af en toe een brief van Javi. Ze woonden allebei aan de Spaanse kust en werkten in de visserij.

Na die ruzie en de verzoenende omhelzing die daarop volgde, voelde ik Colombe verder van mij afdrijven. Ze sprak nooit meer over de herder, maar ik wist dat zij aan hem dacht. Ik voelde het aan haar zwijgen als hij bij ons thuis of ergens anders ter sprake kwam. Ik zag dan hoe ze afwezig werd, zich in zichzelf keerde of haar aandacht op iets anders richtte. Ik zag haar vaker wegdromen. Als ik vroeg waaraan ze dacht, trok ze haar schouders op en glimlachte ze.

Die verwijdering maakte mij somber. Mijn moeder wees me er regelmatig op dat ik wat vriendelijker moest zijn tegen de klanten. Mijn vader kon niet veel zeggen, want hij was zelf nors. Ik sliep slecht, ik werd vroeg wakker. Het kostte me weinig moeite om voor dag en dauw in de bakkerij te staan. Maar overdag sloeg de vermoeidheid toe. Na de middag ging ik liggen, maar ook tijdens de siësta lag ik naar het plafond te staren.

Ik begon te denken dat Colombe nu maar gauw moest trouwen, zodat het achter de rug was. Het zou me misschien verlossen van mijn verlangen naar haar. Ik verlangde naar haar voortdurende aanwezigheid, en tegelijk kon ik haar soms niet meer uitstaan. Die periode van angst en onzekerheid was misschien wel de moeilijkste en ongelukkigste tijd van mijn leven. Daarna kwam het verdriet, bijna als een bevrijding.

DSCN5798

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s