3.4. Weggaan

In de tijd na het huwelijk van Colombe en de dood van mijn ouders waren er twee dingen die mijn leed verzachtten. Het spaargeld dat me een uitweg zou bieden als mijn broers terugkwamen en de aanwezigheid van Vincent.

Vincent was een paar jaar jonger dan ik. Hij was wat groter dan ik, vrij mager, en hij had een jong, baardloos gezicht. Hij had grote donkere ogen en lange wimpers en het leek of hij voortdurend keek alsof hij alles voor de eerste keer zag. Hij had een schijnbaar onschuldige blik. Schijnbaar, want ik merkte dat hij de dingen observeerde en overdacht. Hij had belangstelling voor de bakkerij, experimenteerde met deeg en met alles wat ik aan ingrediënten in huis had. Hij maakte misbaksels, maar bedacht ook nieuwe recepten. Hij vulde deeg met vlees of kaas en zelfs met spinazie of tomaten. Ik liet hem zijn gang gaan, de mislukkingen nam ik erbij.

Hij had ook belangstelling voor de kapperskamer. Van mij mocht die gesloten blijven, maar hij ruimde er op, bestudeerde de scheermessen en de scharen en bracht op een dag Augustin mee, die zich gewillig liet knippen en scheren. Ik liet hem een stuk van mijn haar knippen en ik droeg het vanaf toen in een chignon. Ik liet hem zelfs de haartjes op mijn bovenlip afscheren. Ik kon hem eenvoudig niet weerstaan. Zijn nieuwsgierigheid en zijn verlangen om alles uit te proberen en te proeven waren aanstekelijk.

Hij maakte me soms aan het lachen en deed me mijn boosheid, mijn verdriet, het gemis van mijn ouders en mijn verlangen naar Colombe af en toe vergeten. Ik dacht er even over om hem bij mij in huis te laten wonen, maar dat zou geroddel geven. Een ongetrouwde vrouw kon niet zomaar een jongeman onder haar dak laten slapen. Hij woonde bij een tante en een oom. Maar hij ging er op den duur enkel nog heen om te slapen en bracht de rest van zijn tijd in de bakkerij door. We aten samen en we raakten op elkaar afgestemd wat het werk betrof. Tijdens het werken hadden we weinig woorden nodig, maar aan tafel kwam het wel eens tot een gesprek. Ik vroeg of hij een meisje had. Het was een domme vraag, want behalve wanneer hij sliep, was hij altijd in de buurt. Hij zei dat hij geen meisje kende waarmee hij zou willen verkeren. Daar moest ik het mee doen. Hij stelde mij geen vragen, vroeg niet wat mijn plannen waren. Ik denk dat hij allang doorhad dat ik niet wilde trouwen, ik hoefde hem dat niet te zeggen. Hij was op de hoogte van de mogelijkheid dat mijn broers zouden terugkeren en de zaak overnemen, maar hij leek zich daar geen zorgen over te maken. Hij leefde van dag tot dag en hij leerde mij om dat ook te doen.

Tot er op een dag iets bij me brak. Ik liet alles vallen en ik vertrok.

Het was op een zondag. Na de middag was ik naar het huis van Camille gegaan en daar had ik Colombe gezien.

Camille had me eerder al verteld dat er een ongeluk was gebeurd. Michel was het haar komen vertellen. Colombe zou gevallen zijn en had zich bezeerd. Daarom was ze niet rond de gewone tijd naar het dorp gekomen. Maar Michel had gezegd dat ze goed herstelde en gauw weer op bezoek zou komen. Het stelde me niet gerust. Ik overwoog om zelf te gaan kijken wat er aan de hand was, maar ik durfde niet. Toen Colombe na twee weken naar het dorp kwam, was ik niet voorbereid op wat ik te zien kreeg. Ze had een lelijke wond in haar gezicht en ze miste een paar tanden. Ze zei dat ze gevallen was, dat ze over de losgekomen zoom van haar rok gestruikeld was. Ik kon haar verhaal met moeite geloven.

Het moest Michel geweest zijn. Zijn vader en zijn broers hadden erom bekend gestaan dat ze losse handen hadden. Ik was er zeker van dat hij haar geslagen had. En misschien wel diezelfde dag nog dat ik er op bezoek was geweest.

En het allerergste was dat ze loog. Dat ze het voor hem opnam. Het was zo duidelijk dat ze loog. Ik zag het aan de manier waarop ze van me wegkeek.

Wat later kwam Michel haar halen en gingen ze samen de deur uit.

Ik ben toen naar de bakkerij teruggegaan. Maar in plaats van alles klaar te zetten voor het bakken, heb ik opgeruimd. En toen Vincent aankwam, zei ik dat ik wegging.

‘Er hangt sneeuw in de lucht,’ zei Vincent, ‘er zijn al een paar vlokken gevallen.’

Ik haalde mijn schouders op en ruimde verder op.

‘Ik ga mee,’ zei hij toen. Dat was Vincent. Ik zei nog dat het niet hoefde, maar ik was dankbaar dat ik dit niet alleen hoefde te doen.

De drie zakjes munten die ik toen achtergelaten had, heb ik nu meegenomen. Ik heb het geld niet meteen nodig, maar ik denk niet dat ik ooit nog terugga naar de bakkerij.

DSCN5129

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s