3.5. Broers

Nadat ik vannacht in het donker de bakkerij had verlaten en teruggekeerd was naar het klooster kon ik de slaap moeilijk vatten. De wind was opgestoken en het tochtte in de kamer die de broeder-huisbewaarder mij had toegewezen. De luiken rammelden, maar ik had geen zin om uit bed te komen en in het donker de ramen open te doen om de luiken vaster te klemmen. Ik ken dit gebouw niet goed genoeg. Het heeft dikke muren en de luiken zijn versterkt met Spaans ijzerwerk en ingewikkelde sluitingen.

Ik droomde van Colombe. Ze zat bij de rivier en ze lachte. Ik vroeg of ze mij uitlachte. Ze schudde het hoofd, maar ze bleef lachen. Ze verborg haar gezicht in haar fijne handen.

Toen ik wakker werd, dacht ik aan de rivier. Aan die middag dat we daar samen zaten. Aan het lachen. Ik heb nooit meer zo gelachen als toen. We rolden over de grond van het lachen. Hoe kwam dat ook alweer? O ja, we hadden het over trouwen. Ik zei dat ik met haar had willen trouwen als ik een man was geweest. Maar zij zag ons trouwen als twee vrouwen, met elk een tuiltje bloemen in de hand. Ik moet er weer om lachen.

Het is vreemd. Hoe lang is dat geleden? Al die jaren heb ik weinig aan haar gedacht. Ik gaf de herinneringen die zich probeerden op te dringen geen kans. Ik veegde ze weg, zoals ik het stof op een werktafel wegveeg of het puin op de vloer van het atelier opruim. Ik richtte mij op het marmer, op die donkerroze, dooraderde steen die altijd anders is. Ik koos een nieuw blok en ik begon te kappen en te beitelen. Ik zocht naar de vorm in de steen. Want de vorm is er al. Ik ben slechts de steenhouwer, de dienaar van deze harde materie. Ze noemen mij maître, maar de ware maître leefde eeuwen geleden in deze streek. Zijn werk zal ik nooit kunnen evenaren. Ik kan slechts in zijn voetsporen treden. Ik onthul werk van hem dat te lang verwaarloosd werd. Ik herstel wat de tijd en de mens vernietigd heeft. En af en toe is het moment mij genadig en kap ik zelf een vorm, een acanthusblad of een hagedis. Iets dat ik ken. Maar geen gezichten.

Ik hoor voetstappen in de gang. Zou het al tijd zijn voor het ontbijt? Ik ruik koffie. Ik ruik vers brood.

Nu moet ik weer aan de bakkerij denken. En aan mijn broers. Hoe zou het met ze zijn? Zouden ze nog in leven zijn? Na het korte bezoek van Javi en de brief waarin hij schreef dat hij naar hier zou komen om de zaken te regelen, heb ik nooit meer iets van hen gehoord.

Luís en Javi vertrokken toen het plukseizoen net begonnen was. Ze werkten met tegenzin in de bakkerij en vanaf eind juni gingen ze meestal abrikozen en daarna perziken plukken met het excuus dat ze daar meer konden verdienen dan in de bakkerij. Mijn vader kon daar niet veel tegen inbrengen en in de zomermaanden redde hij het samen met mijn moeder in de bakkerij. Ik hielp ook. Ik kneedde graag. Mijn vader leerde mij kleine broodjes vormen: ronde bolletjes, lange puntige broodjes en dunne stokbroodjes.

De zomer leek zich aan te kondigen zoals de zomers ervoor. Luís en Javi legden hun spullen klaar die ze meenamen als ze naar verder gelegen fruitgaarden gingen en daar bleven overnachten. Ze vulden een knapzak met gedroogd brood en haalden de leren waterzakken van de muur.

Meestal deden ze eerst de fruitgaarden van het dorp. Ze kwamen ‘s avonds pas laat thuis. Half juli gingen ze naar de hoger gelegen boomgaarden en bleven soms een paar dagen, soms een week weg. Maar het was nog maar juni. En toen ze de eerste avond na de pluk niet naar huis kwamen, vond mijn moeder het vreemd, maar ze maakte zich geen zorgen. Na een paar dagen werd ze wel ongerust en begon ze in het dorp rond te vragen of iemand haar jongens gezien had. Ik wilde ook gaan rondkijken, maar ik mocht niet naar buiten. Ik kende het dorp, ik kende alle straten en ik kende zelfs de boerderijen die buiten het dorp lagen. Maar mijn moeder stond erop dat ik thuisbleef.

Na een week ging mijn vader hen zoeken. We moesten de bakkerij een paar dagen sluiten. Mijn moeder zat in die dagen meestal aan de tafel in onze rommelige woonkamer zich het hoofd te breken en mij uit te horen. Ja, ze hadden altijd gezegd dat ze weg zouden gaan. Ze zeiden dat ze naar Spanje zouden gaan. Maar ze hadden het zo vaak gezegd dat niemand het geloofde.

Camille kwam overdag bij mijn moeder aan tafel zitten. Ze bracht Colombe en de twee jongere meisjes, Delphine en Marie, en haar naaiwerk mee. Colombe en ik zorgden voor de kleintjes. Na een paar dagen kwam mijn vader terug. Hij was tot aan de grens geweest. Niemand had mijn broers gezien. Ze konden naar Spanje zijn, maar ze konden net zo goed naar het noorden getrokken zijn of naar de kust, of naar een van de hogere bergdorpen. Verder zoeken had geen zin, zei mijn vader en dat ze hun plan maar moesten trekken, ze zouden van armoe terugkomen. Hij ging slapen en stak de volgende ochtend de oven weer aan.

20190110_125648

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s