3.8. Restaurateurs

De kamer in de priorij waar ik slaap, was eigenlijk bedoeld voor Vincent en mij, maar Vincent ligt in een kleine cel in de ziekenboeg. Als ik ga kijken hoe het met hem is, steekt de ziekenbroeder een arm uit als teken dat ik op afstand moet blijven.

Dit is het lot. Vincent is ziek en ik ga in zijn plaats naar het gehucht op de berg. Hij protesteerde gisteravond nog, maar vandaag is hij te zwak om op te staan en zijn kleren aan te trekken.

Gisteren kreeg hij plots koorts en tegen de avond kon hij niet meer op zijn benen staan. Gelukkig waren we net in de priorij aangekomen. Er was enige verontrusting over zijn ziekte. De influenza-epidemie was voorbij. Kon het een opflakkering zijn? Of was het iets anders? De monniken hebben hem een cel aan het uiteinde van een vleugel gegeven. Hij wordt verzorgd door een broeder die zelf ziek is geweest en beweert dat hij niet opnieuw besmet kan worden.

Daarom heb ik de kamer voor mij alleen, wat me goed uitkomt. Ik heb geen zin om ziek te worden en nog minder om Vincents gezeur te horen. Ik weet niet waarom hij ertegen is dat ik naar het gehucht ga. Ik heb hem nooit iets verteld. Toen we samen op pad gingen, spraken we af om enkel nog vooruit te kijken.

De gretigheid waarmee hij die opdracht in het gehucht op de berg naar zich toetrok vond ik vreemd, maar ik stond het meteen toe. Het was beter zo. Hij was eerder al een paar keer naar het kerkje geweest om er plannen en schetsen te maken. De leiding over het inwerken van de poort kan ik met een gerust hart aan hem overlaten, we hebben een paar goede arbeiders. Het wijwatervat heb ik in het atelier laten uithouwen en de versieringen heb ik zelf aangebracht.

Ik ga vandaag de instructies met de arbeiders doornemen en kijken waar het wijwatervat moet komen. Ik ga te paard. Ik zou te voet kunnen gaan, van hieruit is het maar een uur of wat langer lopen, maar het lijkt me beter om snel te kunnen vertrekken, mocht het nodig zijn.

Vincent slaapt. Vanuit de deuropening zie ik de koorts op zijn wangen gloeien. De monnik stelt me gerust. Vincent is sterk, hij komt hier wel doorheen.

 

Als ik mijn paard zadel is de lucht nog fris en kruidig. De zon belicht de top van de hoogste berg, het zou warm kunnen worden vandaag. We gaan traag, de merrie en ik. Ze voelt mijn nervositeit en ze lijkt zich in te houden en net als ik op haar hoede te zijn.

Vanaf de kam is de kustlijn goed te zien. Het zal vandaag helder blijven. Geen wolkje te zien. In de koele ochtendlucht voel ik al warmere stroken. Ik mag niet talmen.

Het gehucht ziet er anders uit dan in mijn herinnering. In het lagere gedeelte zijn er huizen bijgekomen. De kerk heeft haar plaats ingenomen. De nieuwe huizen lijken zich rond de kerk te hebben gegroepeerd.

Ik kijk naar de hellingen. Daar zijn dezelfde huizen nog. Vierkante huizen met hellende daken en een ronde uitstulping in de zijgevel. Ik wend mijn blik af van het enige huis waar ik ooit ben binnengegaan. Ik heb net lang genoeg gekeken om te zien dat er weinig aan veranderd is. De houten bank staat er zelfs nog. Maar de gedachte dat ik er beweging zou kunnen zien, dat iemand er de luiken of de deur zou kunnen openen, doet mijn hart sneller kloppen en mijn handen beven.

20190604_090125

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s