3.9. Maître!

De kerk, ik moet naar de kerk. De arbeiders zijn al bezig want ze willen de warmte voor zijn. De poort is uitgebroken, de blokken marmer worden met een katrol van de kar gehesen. Ik ga naar binnen, het is er aangenaam. Het kerkje is net groot genoeg, het heeft de vorm van een kort kruis. De gelovigen van dit gehucht hebben het zelf heropgebouwd tot aan het dak. Daarna heeft het bisdom het overgenomen. Er is zelfs een priester aangesteld die in de presbytère woont en er de kinderen leert lezen en schrijven.

De arbeiders zijn in hun nopjes. Dit soort werk doen ze graag, er valt eer aan te behalen.

Ik hoor Vincents naam vallen. Ik heb hen al gezegd dat hij ziek is en hen meteen ook gerustgesteld. Hij is in goede handen, over een paar dagen staat hij hier weer.

 

Dan zie ik haar in het portaal staan. Ze draagt een grijze omslagdoek die ze langs een kant voor haar gezicht houdt. Ik ga wat achteruit, keer me naar het zijaltaar toe, en trek mijn hoed wat dieper over mijn ogen. Ik doe alsof ik haar niet gezien heb en ik bestudeer de plaats waar de plaat roze marmer moet komen. Mijn knieën knikken, ik ga op mijn hurken zitten. Ik tast de muur af, leg mijn handen op de koele stenen, ik zoek steun.

Maar een van de arbeiders roept mij: ‘Maître!’ en hij wijst naar de vrouw. Ik ga rechtop staan, keer me naar haar en knik haar toe. Mijn mond is droog. Ik hoef niets te zeggen want ze begint zelf te praten. Ze vraagt naar Vincent.

‘Ze zeggen dat hij ziek is,’ zegt ze. ‘Is het erg?’

Ze ziet er verontrust uit. Haar hand grijpt in haar sjaal, trekt hem wat naar voren, en lost de stof dan weer. De omslagdoek schuift wat naar achter. Mijn blik wordt naar het litteken getrokken. Ik blijf ernaar kijken want ik durf haar niet in de ogen te kijken.

Ik zeg haar dat het wel goed komt met Vincent. Over een paar dagen kan ze hem spreken. Ik probeer mijn stem laag te houden, ik fluister bijna, waardoor ze wat dichterbij komt te staan.

Ik vraag of ik hem iets moet zeggen.

Ze schudt het hoofd. Ik voel dat ze naar me kijkt. Ik probeer haar aandacht af te leiden.

‘Mooie kerk,’ zeg ik omdat ik niets anders weet te bedenken en ik wijs naar het retabel, zodat ik me van haar weg kan draaien.

‘Ja,’ zegt ze, ‘maar niet aan mij besteed.’

Ze blijft nog een ogenblik staren, ik voel haar blik over mijn lichaam gaan. Ze kijkt naar mijn broek en mijn schoenen. Dan keert ze zich om en gaat naar buiten. Bij het portaal legt ze haar hand op het pas geplaatste wijwatervat en ze leunt ertegen. Voor ze verder gaat, kijkt ze nog even om.

Ik ga op een van de houten banken zitten, mijn handen op mijn knieën. Ze keek naar mijn broek en mijn schoenen. Het zijn kalfsleren schoenen, van een Spaanse schoenmaker die net over de grens woont. In hetzelfde dorp laat ik mijn kleren maken, bij een kleermaker die ik royaal betaal om zijn mond te houden.

DSCN5572

4 gedachten over “3.9. Maître!”

  1. Na het hoofdstuk van gisteren was ik helemaal in verwarring. En kijk nu eens. En dacht meteen, ja qua postuur en kracht kan dit. Wat een mooie verhaallijn.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s