3.10. Colombe

Het dringt maar langzaam tot me door dat ik Colombe heb gezien. Wat is ze veranderd. Hoe kan het ook anders, na al die jaren. Ze lijkt op Camille. Maar ze lijkt minder fragiel dan Camille. Ze praatte met mij alsof ik een vreemde was. Ik ben ook een vreemde voor haar.

Vincent en Colombe blijken elkaar te kennen. Maar hoe? En sinds wanneer? Ik heb Colombe ooit over Vincent verteld, over zijn gekke streken in de bakkerij, dat weet ik nog. Maar ik heb Vincent nooit over Colombe verteld. Mogelijk kennen ze elkaar van lang geleden, toen Vincent nog met Augustin bevriend was. Maar er moet meer zijn. Zoals ze over hem sprak, leek ze hem goed te kennen, hem onlangs nog ontmoet te hebben.

Vincent vertelt me niet alles, dat is me al langer duidelijk. Maar kan ik het hem kwalijk nemen? Hij, de bewaker van mijn geheim? Ik moet het hem vragen.

 

Het is al na de middag als ik terug in het klooster ben. Het is er stil. Het zal stil blijven tot na de vespers. Ik ga naar Vincents kamer.  Hij lijkt te slapen, maar als ik naast hem sta, opent hij zijn ogen.

‘Ken jij Colombe?’ vraag ik op de man af.

Hij sluit zijn ogen. Dan klinkt het vermoeid: ‘Ze is me komen zoeken, ze zocht naar iemand. Ik heb haar altijd gezegd dat onze wegen zijn gescheiden de dag na ons vertrek.’

Ik wil vragen waarom. Waarom heeft hij dat voor mij verzwegen? Maar het antwoord is zonneklaar. Om mij te beschermen, en ook om zichzelf te beschermen. We hadden het goed samen, ik als meester en hij als hoofdopzichter, en verder geen verantwoordelijkheden, geen echtgenoten, geen kinderen.

‘Heb je haar… Heeft ze jou gezien?’ vraagt hij.

Ik knik. Hij zucht.

Ik ijsbeer door de kamer.

‘Ga slapen,’ zeg ik dan, ‘ik regel het wel.’

 

Voor de tweede keer vandaag stuur ik mijn paard in de richting van de kam. Ik vraag me af wat ik ga regelen en hoe ik dat dan ga regelen.

Blijkbaar woont Colombe alleen in dat huis. Een paar jaar geleden vernam ik dat Michel gestorven was, maar ik had het bericht gehoord en het verder genegeerd. Wat maakte het uit?

Toch heb ik me wel eens afgevraagd wat er van Colombe geworden was. Zou ze terug naar het dorp zijn gegaan? Was ze bij haar moeder gaan wonen? Of zou ze hertrouwd zijn? Had ze kinderen? Het enige wat ik nu weet is dat ze daar nog woont. En dat ze Vincent heeft gezocht en gevonden. De gedachte maakt me van streek. Ik heb haar onderschat, denk ik nu.

Als ik bij haar huis kom, voel ik dat ik niets gegeten heb, maar ik had ook niets kunnen binnenkrijgen. Ik drink wat uit mijn waterzak en ik laat de merrie drinken uit een stenen bak achter het huis waar een bodem water in staat. Ik trek mijn gilet uit en schik mijn hemd, het plakt tegen mijn armen. Ik trek het gilet weer aan en klop op de deur.

Er komt geen beweging. Ik loop rond het huis, schraap mijn keel, maar ik durf niet te roepen.

‘Is er iemand?’ zeg ik veel te stil, maar ik voel dat er niemand is. Geen mens, geen dier. Het ruikt er naar schapen, op de grond ligt een vers spoor van zwarte glanzende bolletjes.  Ik bind het paard aan een boom, vergewis mij ervan dat het genoeg schaduw heeft en volg dan het spoor. Ik trek mijn halsdoek los en dep er mijn voorhoofd en mijn slapen mee.

De schapen staan aan de rand van een klein bos wintereiken. Ze kijken kauwend in mijn richting. Het zijn er niet veel. Een twintigtal. Er komt een zwarte hond met een witte poot naar me toegelopen. Hij blaft niet, hij wil tegen me aanspringen maar hij wordt teruggeroepen.

Daar staat ze. Zonder omslagdoek. Ze draagt een lichte blouse waarvan ze de mouwen heeft opgerold en een blauwe katoenen rok. Haar haren zijn gevlochten en opgestoken, een paar losgekomen lokken waaien in haar gezicht. Ze strijkt ze weg, duwt ze achter haar oren. Ze kijkt me recht aan, de lippen op elkaar geknepen. Haar ene mondhoek trekt wat naar boven, maar ik weet dat ze niet lacht.

‘Ik ben het,’ zeg ik als ik voor haar sta.

‘Ik weet het,’ zegt ze.

 

Ze kijkt even om, alsof er achter haar iets is dat haar aandacht trekt. Dan rolt ze de mouw van haar blouse af, trekt ze over haar hand en dept er haar ogen mee. Ik houd mijn handen in mijn broekzakken.

Een ogenblik lijkt het erop alsof ze naar me toe komt, maar ze loopt me voorbij, in de richting van het huis. De schapen volgen haar. De hond rent rond de kleine kudde. Ik ga achter hen aan.

Als we bij haar huis aankomen, loopt Colombe voor mij uit naar binnen. Ze laat de deur openstaan en ik leid daaruit af  dat ik haar mag volgen. Ze wijst me een stoel aan bij de grote tafel. Op een tafeltje bij het raam zie ik een bril liggen. Ze schenkt koel water uit een kruik van aardewerk.

‘Waarom?’ zegt ze dan. ‘En waarom dit?’ Ze wijst naar mijn broek, naar mijn gilet, dan naar mijn korte haar. Ik denk aan Vincent die zich zorgen maakt.

‘Niemand mag het weten,’ zeg ik, ‘ik zal je alles vertellen, maar niemand mag het weten, Colombe.’ Ik spreek haar naam uit. Ik kan niet geloven dat ik haar naam uitspreek.

‘Ik spreek met niemand,’ zegt ze, ‘ik woon hier alleen.’ Ze maakt een gebaar in de ruimte rondom ons. ‘Ik ga niet naar de kerk.’  Het klinkt schamper. ‘Michel is dood. Mijn moeder is dood. Delphine is dood. Marie en Augustin zie ik nog zelden.’

‘Waarom?’ begint ze weer, ‘waarom ben je weggegaan? Zo plots? Zonder bericht achter te laten?’

‘En waarom…’ Ze begint te huilen. ‘Ik heb altijd gedacht dat ik je op een dag zou terugzien… maar niet zo…’

20190610_095717

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s