3.12. Parijs

Ik denk niet dat ik het nog kan, brood bakken. Het is te lang geleden. Toen we vertrokken sneeuwde het en daardoor kwamen we niet ver. We stapten een paar uur door een krakend tapijt, onze voeten raakten doorweekt, maar het voordeel was dat het minder donker was, en in de vroege ochtend konden we met een kar meerijden. In het eerste stadje waar we aankwamen vond ik al na een dag werk bij een bakker. Vincent wilde eerst wat rondkijken. We logeerden in een kleine herberg. Het was lastig werken bij de bakker. Hij deed alles anders dan ik het gewend was en hij verdroeg niet dat ik commentaar had op de kwaliteit van het meel en op de hoeveelheid gist die hij gebruikte. Hij wilde ook niet van zoet gebak weten. Het was brood, niets dan brood, drie maten: dunne stokjes, middelgrote baguettes en grote grove broden. Hij deed goede zaken, tegen de avond waren de rekken leeg. Maar het werk begon me snel te vervelen en toen Vincent een baan vond in een marmergroeve, ging ik met hem mee.

Ik neem nog een slok wijn. Mijn beker is sneller leeg dan die van Colombe. Ze heeft nu een lichte blos op haar wangen en ik voel ook dat de wijn me naar het hoofd stijgt. Ik moet naar Vincent. Hij zal zich zorgen maken. Ik moet hem zeggen dat het wel in orde komt. Tenminste, dat denk ik.

Ze vindt het goed dat ik morgen terugkom. Alles is nog niet gezegd. Daar is ze het mee eens. Ik maak mijn paard los en leid het aan mijn hand de weg op. Wat verder bestijg ik de merrie. Ik kijk niet om. Ik weet niet of ze in de deuropening staat. Ik wil het niet weten.

 

 

Vincent zegt dat hij zich beter voelt, maar als hij uit bed probeert te komen, is het duidelijk dat hij nog niet genoeg kracht heeft. Hij zinkt moedeloos terug in het kussen.

Het bevalt hem niet dat ik vandaag weer naar het gehucht ga. Hij maakt zich zorgen en ik ook. Maar we maken ons zorgen om verschillende dingen.

‘Ga je weer naar haar?’ vraagt hij. Hij klinkt als een jaloerse echtgenote. Het amuseert me even, maar ik besef dat hij ongerust is.

Ik heb hem verteld over mijn ontmoeting met Colombe. Ik heb hem ook verteld dat we samen zijn opgegroeid en dat ik het niet kon verdragen dat ze trouwde. Ik denk niet dat hij het begrijpt. Hij zou iets kunnen begrijpen van mijn gevoelens, van de gevoelens die ik had voor haar, maar hij zit anders in elkaar, denk ik.

Hij had vrienden en hij ging met ze uit, maar hij heeft zich nooit aan iemand gebonden. Soms kwam hij een nacht niet naar de kamer die we deelden. Soms bleef hij twee nachten weg, maar nooit langer. Hij heeft me ook nooit aan iemand voorgesteld.

Ik deed hetzelfde, ik ging wel eens alleen op pad, al bleef ik geen nachten weg. Ik was voorzichtig, te bang dat mijn geheim ontdekt zou worden. Te bang om iemands hoofd op hol te brengen en moeilijkheden te krijgen.

Een keer heb ik me laten verleiden. In Parijs, de stad waar alles mogelijk is en waar ook ’s nachts geleefd wordt. Ik was er samen met een pater van een orde waarvoor ik regelmatig werkte om een opdracht in een nonnenklooster te bespreken. De laatste avond  zwierf ik er door de straten en belandde in een café waar veel vrouwen waren. Tot mijn verbazing waren er ook vrouwen in mannenkleren. Maar ze waren niet zoals ik. Ze droegen hun maatpakken opzichtig, met een zekere allure. Ze verhulden niet dat ze vrouwen waren. Het bracht mij in verwarring. Er werd geflirt, gekust, gestreeld. Hen zo bezig te zien stootte mij af en trok me tegelijkertijd aan. Ik dronk een paar glazen wijn en rekende af.  Toen ik naar buiten wilde gaan werd ik aangesproken door een meisje. Ze leek jonger dan de anderen. Ze vroeg of ik haar naar huis wou brengen. Het leek me geen onredelijke vraag want het was al erg laat. Ik heb met haar geslapen. Ik was verlegen en onwennig maar ik liet haar toe. Ze kleedde me laag na laag uit. Haar strelingen waren overrompelend en tegelijk werd ik er droevig van. Toen de ochtend aanbrak, ben ik weggegaan zonder haar wakker te maken. De volgende dag zijn we naar het zuiden teruggereisd. Ik was opgelucht want mijn angst om ontdekt te worden was groter dan mijn verlangen naar meer.

 

Ik dacht Vincent te kennen, maar nu vraag ik me af of hij ook niet een wond had, een donkere plek. Hij bleef bij mij. Ik voelde me veilig bij hem. Maar misschien voelde hij zich ook veilig bij mij?

Ik dacht hem te kennen, na al die jaren samen werken, samen leven. Maar ken je iemand ooit helemaal?

Ik dacht ook Colombe te kennen. Ik zag over het hoofd dat er meer dan dertig jaar overheen gegaan was. Ze zag er anders uit. Ook al is ze minder veranderd dan ik. Ze heeft nog steeds dat lichte haar, die lichte huid, die blauwe ogen. Maar haar gezicht is veranderd, en niet alleen het litteken. Ik zag een harde trek die ik niet kende. Ik zag ongeloof en dan boze verontwaardiging, afkeer zelfs. En ook wanhoop.

DSCN5798

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s