3.13. Onrust

Wat had ik dan verwacht? Dat ze me in haar armen zou sluiten? Nee, al die jaren heb ik niets gedacht. Ik heb niet gedacht en niet gehoopt dat ik haar ooit zou weerzien. We zouden nog enkel vooruit kijken, hadden Vincent en ik gezegd. Ik liet Colombe samen met mijn ouders, mijn broers en de bakkerij achter mij. De eerste dagen, weken, maanden van mijn nieuwe leven dacht ik maar aan één ding: mijn nieuwe rol zo goed mogelijk spelen. Arturo zijn in alles, in de manier waarop ik me kleedde, de manier waarop ik at en dronk, waarop ik praatte, mijn stem. Vincent moest mijn haar regelmatig knippen en hij moest mij in het oog houden. Soms ondervroeg ik hem: zie ik er geloofwaardig uit? Heeft iemand iets gezien? Heb ik iets gedaan dat me zou kunnen verraden?  Hij speelde het spel mee. Hij genoot ervan. Hij had soms aanmerkingen op mijn gedrag, op mijn manier van lopen, en op mijn kleding.

Hij genoot van mijn verhalen over de bakkerij waar ik de eerste weken was gaan werken. Hij genoot van onze gezamenlijke stoutmoedigheid toen hij me meenam naar de marmergroeve waar hij werk had gevonden. Hij vond het niet eens erg dat ik sneller leerde dan hij en dat mijn werk in de smaak viel bij de maître. Dat ik opgeleid werd in het fijnere werk en met de meester mee mocht gaan naar afgelegen kloosters, dorpen in het hogere gebergte, of aan de kust, grotere steden en zelfs een paar keer naar Parijs. Want ik nam hem mee in mijn groei. Ook hij kreeg op den duur de betere opdrachten.

En toen we genoeg geld hadden om voor eigen rekening te werken, werd er in de marmergroeve niet eens moeilijk over gedaan. Wij namen marmer af en zij bezorgden ons klanten. Zo gaat het nog steeds. Het gaat ons al jaren voor de wind en ik vermoed dat Vincent zich zorgen maakt dat er een einde komt aan dit bestaan. Hij is bang dat ik ontmaskerd word en dat ik hem zal meesleuren in mijn val.

‘Colombe zal mij niet verraden,’ zeg ik, ‘Ze is erg geschrokken, maar tegen de avond was ze al kalmer.’

‘Ze gaat met weinig mensen om,’ zeg ik ook en ik hoor de onzekerheid doorklinken in wat ik zeg.

Daarom moet ik haar weerzien vandaag. Om er zeker van te zijn dat ze begrijpt wat er op het spel staat, om haar op het hart te drukken dat ze onder geen beding iets mag zeggen of iets mag laten blijken. Maar ook om mijn gemoed tot rust te brengen. Over de onrust die ik voel, zeg ik niets aan Vincent. We hebben zoveel gedeeld, al die jaren. Onze voorspoed, onze avonturen, spannende momenten soms, en ook onze gedachten. Het leek erop dat we open boeken waren voor elkaar, maar er was een plek in mij waar hij niet kwam.

De onrust die ik voel heeft met die plek te maken. Die donkere kamer in mij, waar iets ligt dat klopt en ademt, iets wat ik niet langer kan negeren.

Bezorgdheid. Laat ik het zo noemen. Bezorgdheid om Colombe, van wie ik nu weet dat ze jaren op mij heeft gewacht terwijl ik haar jaren uit alle macht heb proberen te vergeten.

Om die redenen moet ik naar haar toe, om haar en mij gerust te stellen.

 

Als ik in het gehucht aankom, kan ik het niet laten om, vooraleer ik naar de kerk rijd, langs Colombes huis te gaan. De luiken zijn open, maar de deur is dicht. Ik loop om het huis heen, maar net zoals de eerste keer is er geen beweging. Geen schapen, geen hond. Ze is al gaan hoeden. Er is geen tijd om haar achterna te gaan. Wat zou ik haar trouwens zeggen op dit uur van de dag? Waarom wilde ik ook per se vanmorgen al bij haar langsgaan? Ik kan haar beter vanavond gaan groeten. Misschien kunnen we nog wat verder praten. Vertellen. Luisteren. Ik wil weten hoe het haar vergaan is al die jaren. En vooral wil ik weten hoe het nu met haar is, nu ze het weet van mij.

 

Het werk in de kerk gaat vooruit. De boog rond de poort staat er voor een derde. Ik maak de stand van zaken op en ik bereken dat we over een paar dagen klaar zullen zijn. Ik kijk toe, ik geef commentaar. Ik ga zelf aan het werk. Tussendoor ga ik af en toe naar buiten om te kijken of er beweging is rond het huis tegen de zuidoost gerichte helling. Maar er is niets te zien.

Ik ga naar het kerkhof en vind het graf van Michel. Een houten kruis met zijn naam en een jaartal: 1890. Het is vijf jaar geleden. Ik denk aan de ontroering waarmee ze over hem sprak. Maar ik voel nog steeds wrok. Woede zelfs. Even. Maar mijn boosheid ebt weg als ik naar de aardeheuvel kijk. Hij is er niet meer.

 

Nog steeds niets te zien rond het huis. Ik hoop dat ze er is, straks. Dat ze op me wacht op de bank naast het huis. Maar het verontrust me dat ze er vanmorgen al niet was en nu nog steeds niet, en mijn hoop gaat over in vrees dat ik haar ook straks, nadat de arbeiders het werk neergelegd hebben, niet zal vinden.

 

 

20190621_073110

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s