3.15. Klinken

Nooit ben ik zo nerveus geweest. Of toch wel, maar het is lang geleden. Die eerste dagen als Arturo. Ik lette op de mensen, op hun blikken, vroeg me af of ze het konden zien. Maar mijn vermomming was zo goed geslaagd dat ik meteen als man gezien en behandeld werd. Het vertrouwen moest van mij komen, van de binnenkant. Van buiten was alles in orde. Mijn kleren, de broek van mijn vader, het hemd van Javi, pasten mij. En daarom ging het zo snel. In een paar weken tijd was ik wie ik wilde zijn of wie ik misschien altijd geweest was. Na een tijdje kocht ik mijn eigen kleren bij een kleermaker in het stadje bij de groeve. Hij had een paar kant-en-klare modellen. Ik kocht wat ik nodig had, zonder te passen. En toen ik ruim genoeg verdiende zocht en vond ik een kleermaker die ik kon vertrouwen.

Waarom ben ik nu zo zenuwachtig? Waarom is Colombe zo belangrijk? Waarom is haar aanvaarding en zelfs haar goedkeuring zo belangrijk? Misschien omdat zij de enige is die het weet. Behalve Vincent.

Vincent en ik hebben een laatste keer het voltooide werk aan de kerk nagekeken. Hij zal de documenten opmaken en later terugkomen met de vertegenwoordiger van het bisdom. De volgende opdracht, de herstelling van een zuilengalerij in een kloostertuin, zal hij op zich nemen. Over een paar dagen zal ik hem daarbij komen helpen, beloof ik.

Als hij het gehucht uitrijdt, leid ik mijn paard aan de hand naar het huis van Colombe. Het is warm en zwoel. Het rommelt in de verte. De weg naar boven kost me moeite, ik voel de zweetdruppels in mijn nek naar mijn rug glijden. Ze heeft me tegen de middag uitgenodigd. Gisteravond heb ik een paar goede flessen wijn en een gedroogde ham gehaald in het dorp. Niemand leek me te herkennen of zelfs maar vreemd op te kijken.

De deur staat open, de hond blaft even, maar springt dan tegen mij op. Ik hoor hoe ze hem terugroept. Ik blijf op de drempel staan tot ze de deur verder opentrekt. Ze ziet er anders uit. Rustiger dan gisteren. Ik denk zelfs iets van een glimlach te zien. Ze lijkt geen last te hebben van de warmte. Haar haren zijn in een wrong gedraaid en met kammen vastgezet. Haar gezicht heeft iets zachts, het valt me op dat ze nauwelijks rimpels heeft. Ze draagt een lichte blouse in een fijne bloemetjesstof, een donkere rok en espadrilles.

Ik ruik vers brood. De tafel is gedekt. Ik geef haar de wijn en de ham. Ze haalt een mes en een wetsteen en begint het mes te slijpen. Ik sta wat onhandig toe te kijken.

‘Ga zitten,’ zegt ze.

‘Het rommelt,’ zeg ik, ‘er hangt onweer in de lucht.’

‘Het heeft de hele nacht geregend,’ antwoordt ze, ‘het zou vannacht hetzelfde kunnen zijn.’

Ik zoek naar iets over het weer dat ik zou kunnen toevoegen, maar de vraag waarom ze gisteravond zo afstandelijk was, brandt op mijn lippen. Waarom zo onvriendelijk en nu weer mild? Wat is er de laatste dagen allemaal in haar omgegaan? Ik herinner mij de scherven van de waterkruik. Ze zijn weg. Bijna zeg ik er iets over, maar dan houd ik me in. Ik zou verraden dat ik heb ingebroken.

‘Ik ben in het dorp geweest,’ zeg ik, ‘Niemand heeft me herkend.’ Maar ik kende ook niemand meer, denk ik erbij.

‘Ben je in de bakkerij geweest?’ vraagt ze.

Ik knik. Ze vraagt niet verder en daar ben ik blij om. Laten we het nog even laten rusten. Dat, van zolang geleden.

Ze brengt een schaal met gebakken paddenstoelen naar de tafel. Ik neem het scherpe mes dat aan haar kant van de tafel ligt en begin aan de ham te snijden. Ik vraag of ik een van de flessen wijn mag openen.

We klinken beleefd en drinken voorzichtig.

‘Broeder Benoit laat je groeten,’ zeg ik.

Ze glimlacht. Ze glimlacht nu echt. Een glimlach die onthult dat er tanden ontbreken en die juist daarom wonderlijk charmeert.

De bibliotheekbroeder kwam een paar dagen geleden naar me toe. Hij vroeg bijzonderheden over de restauratie van het kerkje. En toen kwam Colombe ter sprake. Ik weet niet eens meer hoe we bij haar terecht kwamen. Hij vertelde dat ze soms naar de bibliotheek kwam. Hij leek haar graag te mogen. Tijdens het praten voelde ik zijn ogen op mij gericht. Hij was vriendelijk, op een of andere manier innemend, maar toch voelde ik me niet op mijn gemak onder zijn blikken.

‘Hij heeft me geholpen,’ zegt Colombe. ‘Hij heeft mij geleerd om de wandkaart te lezen en mij getoond waar de marmergroeve was en hij heeft mij met Vincent in contact gebracht.’

Waar was ik toen? Misschien ook wel in de priorij. Wie weet waren we die dag maar op een paar meter afstand van elkaar geweest.

‘Hij heeft mij aan een bril geholpen,’ zegt ze ook. Ze wijst naar de kleine tafel bij het raam. ‘Daardoor kan ik nog steeds naaien, ik kan ermee lezen en schrijven.’

Ik denk aan het schrift in de lade.

20190619_205218

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s